De paringsdrift van de paling

Het gaat niet goed met de paling. De hoeveelheden aal die op het IJsselmeer worden gevangen, lopen gestaag terug. Denkbaar zou zijn - zoals bij andere vis - om paling op grote schaal te kweken en uit te zetten in wat er nog resteert van de voormalige Zuiderzee, maar dat vindt de natuur niet goed. Paling in gevangenschap 'vermeerderen' is nog steeds niet mogelijk. Maar misschien kan paling in de toekomst wel echt worden gekweekt. Daartoe moeten echter eerst heel wat raadsels worden opgelost.

Een paling is een eigenaardig dier. Het grootste deel van zijn leven brengt hij door in zoet water of vlak onder de kust. Waar hij zich voortplant is altijd raadselachtig geweest. Aristoteles ging er vanuit - getuige zijn Historia Animalum, de Latijnse vertaling van het werk - dat ze zich vermenigvuldigen 'in rottende materie'. Eigenaardig genoeg heeft de wetenschap daar tot rond 1900 genoegen mee genomen. Tot er aanwijzingen kwamen dat de paling een verre reis maakt om te paaien. In de jaren twintig vond de Deense onderzoeker Schmidt inderdaad leptocephali, aallarven in de Sargassozee bij de Bermuda-eilanden, in het westen van de Atlantische Oceaan. Op die vermeende paaiplaatsen zijn overigens nooit geslachtsrijpe palingen gevonden en evenmin eieren, maar Schmidt vond op een diepte van vierhonderd meter wel hele jonge, zes millimeter lange larven die daar op duidden.

Eind vorige eeuw lukte het al die larven op te kweken tot glasaal. Daarmee werd aangetoond dat die larven palingen zijn in hun vroegste levensfase. De larven trekken met de golfstroom mee naar Europa. Ze doen naar schatting twee tot drie jaar over die tocht. Eenmaal op het Continentaal Plat verandert de larf in glasaal en trekt - wars geworden van het zoute water - met miljoenen de zeegaten in en verder, de rivieren op.

Nederlandse kwekers betrekken de glasaal doorgaans van Franse leveranciers, die het kweekmateriaal onder de Atlantische kust vangen. In zeven maanden groeit de paling op tot een exemplaar van 120 tot 130 gram. Er zitten veelvraten tussen die het tot een lichaamsgewicht van een kilo weten te schoppen, maar dat zijn onbegrepen uitschieters van de natuur. De kilo-prijs varieert door de aanvoer van de binnenvisserij. Voor die sector is de aal verreweg de belangrijkste vissoort.

In een onderzoeksproject van de Technologiestichting STW (Stichting Technische Wetenschap) laten Leidse biologen nu 22 palingen in tunnelvormige laboratoriumbassins zesduizend kilometer zwemmen, een afstand die ongeveer overeenkomt met het aantal kilometers dat deze vissen in hun jaarlijkse trek afleggen.

Het onderzoek van dr. Guido van den Thillart en dr. ir. Vincent van Ginneken, waarvoor bijna acht ton is uitgetrokken, richt zich op het energieverbruik en de fysiologische veranderingen die de paling tijdens zijn reis ondergaat. De paling tijdens zijn tocht onderzoeken is om voor de hand liggende redenen lastig, vandaar dat de twee dierfysiologen de technici van de afdeling biologie van de Leidse universiteit in de arm hebben genomen teneinde een proefopstelling te maken die 'in vitro-onderzoek' in de meest letterlijke zin mogelijk maakt.

De 'proefkonijnen' werden door een beroepsvisser bij de Brouwersdam gevangen, juist voordat ze de zee op wilden. Een schieraal is een aal die klaar is voor de reis. Zijn ogen zijn twee keer zo groot geworden, zijn kleur is zilverachtig en maag en darmen zijn gedegenereerd, verschrompeld. Vast staat dus dat de paling onderweg niets kan eten, ook al zou hij willen. Wat er voor lichaamsprocessen vooraf gaan aan dat 'schier' worden is onbekend.

De gekoelde onderzoekscel - inmiddels Hotel Atlantis gedoopt - meet honderd vierkante meter. Er staan 22 transparante zwemtunnels van twee meter lang met een diameter van vijftig centimeter. In elke buis zwemt een ongeveer twee kilo zware aal van een meter lang bij een atlantische temperatuur van acht graden. Het is er aardedonker. Bij rood licht, dat ze zelf niet zien kunnen de palingen worden bekeken. De stroom waar ze dag en nacht tegen in moeten zwemmen heeft een snelheid van een halve meter per seconde. De paling zwemt dus zo'n 45 kilometer per dag met zijn neus richting Sargassozee. Om te zien wat er aan de zwemmende vissen verandert wordt er een controle-groep gehouden, die geen vin hoeft te verroeren.

Nog altijd wordt verondersteld dat de paling naar de Sargossazee zwemt om te paaien. Een inspanning die hij waarschijnlijk met de dood bekoopt. Een vooronderzoek van Van den Thillart en Van Ginneken heeft laten zien dat een paling inderdaad tot onwaarschijnlijke staaltjes in staat is. Een rode aal van 770 gram zwom 117 dagen aan één stuk een afstand van 5.111 kilometer en had zo de Sargossazee kunnen bereiken. De vis toonde na afloop geen enkel spoor van uitputting en had nog rustig kunnen doorzwemmen.

Gedurende het nu lopende onderzoek willen de fysiologen vooral weten wat er gebeurt met de energiebalans en de hormoonniveau's van de paling. Vraag is bijvoorbeeld waarom en hoe de geslachtsorganen onderweg 'afrijpen'. Bekend is dat 'hard werken' invloed heeft op testosteronspiegels, wat weer een aanzet is tot de productie van andere geslachtshormonen. Een andere hypothese van Franse origine is dat de oorzaak van hormoonveranderingen moet worden gezocht in de hoge druk die op de diepten van de oceaan heerst. Met het injecteren van hormonen is het overigens nooit gelukt een paling effectief geslachtsrijp te maken. Maar het kan zijn dat een paling eerst zijn energievoorraden moet uitputten, waardoor hij het hormoon cortisol gaat produceren dat hem geslachtsrijp maakt. De 22 marathonzwemmers zullen het wellicht leren.