De intelligentsia en Frankrijk; Staren in de navel van de wereld

Michel Winock: Le siècle des intellectuels. Seuil, 696 blz. ƒ 64,50

Wat is een intellectueel? In Frankrijk is dat kennelijk een geletterd persoon die geobsedeerd is door het lot van zijn natie. Het nationale prisma, zo blijkt uit het al veel geprezen en bekroonde boek van Michel Winock, heeft de afgelopen honderd jaar een zwaar stempel gedrukt op het debat dat Franse intellectuelen hebben gevoerd over de grote vraagstukken van hun tijd.

Ook voor hun chroniqueur blijkt het niet mee te vallen over de grens van het nationale kader heen te kijken. In Le siècle des intellectuels hebben de intellectuelen uitsluitend de Franse nationaliteit. Die beperking wekt verbazing, want juist Winock nam drie jaar geleden in zijn aangenaam relativerende Parlez-moi de la France de nationale navelstaarderij van de Franse intelligentsia op de hak.

Afgezien van deze kritiek verdient dit boek als monument van eruditie en analytische diepgang alle mogelijke lof. In het intellectuele panorama dat Winock schildert komen zowel essayistische werken als romans, maar ook de inhoud van de belangrijke tijdschriften tot hun recht. Hij geeft blijk van een gevoel voor detail, maar ook van de durf om grote lijnen te trekken.

Grandeur en verval van de natie: dat is de kwestie die steeds weer is teruggekeerd in het debat van de Franse intellectuelen. De term 'intellectueel' vond honderd jaar geleden brede ingang tijdens de affaire-Dreyfus, die als morele kwestie ver uitsteeg boven de vraag of deze joodse officier zich schuldig had gemaakt aan verraad. Met zijn J'accuse nam Emile Zola het niet alleen op voor Dreyfus, maar slaakte hij een hartekreet die voortkwam uit de gepassioneerde overtuiging dat respect voor de rechten van het individu sinds de Franse Revolutie de morele ruggengraat van de natie was.

Maurice Barrès

Zijn belangrijkste tegenstrever Maurice Barrès zag in de democratische rechtsgelijkheid de bron van een dreigend nationaal verval. Recht en democratie waren in zijn ogen de vrucht van een abstract gedachtengoed en als zodanig een bedreiging voor de nationale instincten die de Franse ziel tot een uniek mysterie maakten. Barrès noemde zichzelf en zijn volgelingen 'nationalisten', vijanden van de 'kosmopolieten' die in de ban van een rationalistische gelijkschakelingsdrift verkeerden. De vraag of Dreyfus schuldig was, interessseerde Barrès niet. Op het spel stond het levende organisme van de natie, waarvan het door toedoen van Dreyfus in opspraak geraakte leger een dragende zuil was. Een bekend werk van Barrès kreeg de titel Les Déracinés. Zola was volgens hem zo'n typisch voorbeeld van een ontwortelde, een intellectueel die meende dat de natie kon worden gegrondvest op beginselen van logica en verstand in plaats van traditie, passie en gout du terroir.

Zonder Barrès, zo meent Winock, was Frankrijk een ander land geworden. Deze auteur heeft zijn reputatie niet te danken aan een doctrine, maar aan iets dat veel dieper gaat en duurzamer is, namelijk een mode d'esprit, die de liefde voor de superieure kwaliteiten van de Franse natie uitdrukt. Deze gevoelsgesteldheid kreeg in alle sectoren van het politieke spectrum grote invloed. Winock noemt het voor de hand liggende voorbeeld van De Gaulle, die een verwijzing naar Barrès maakte toen hij in zijn oorlogsherinneringen bekende altijd in de ban te zijn geweest van 'une certaine idée de la France'. Evengoed had kunnen worden gewezen op Mitterrand. Ook volgens deze leider van links Frankrijk bracht Barrès op bewonderenswaardige wijze de genegenheid voor de natie tot uitdrukking.

Barrès had de aantrekkelijke eigenschap dat hij, hoewel zeker niet vrij van xenofobe smetten, elk spoor miste van de rancuneuze bekrompenheid die zijn geestverwant Charles Maurras later als leider van het extremistische Action Française zou demonstreren. Barrès was een gepassioneerde, maar vooral poëtische en beschaafde geest, die behalve in zijn werk ook in zijn gedrag blijk gaf van respect voor de tegenstander. Toen op 31 juli 1914, de dag dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, de sociaal-democratische leider Jaurès door een fanatieke nationalist werd vermoord, haastte Barrès zich naar de dochter van het slachtoffer om haar zijn medeleven te betuigen. Dat bezoek, schrijft Winock, markeerde het einde van een beschaafd tijdperk. De ontredderende uitwerking van deze oorlog had ook in Frankrijk tot gevolg dat zowel het nationalistische rechtsextremisme als het communistische linksextremisme in zwang raakten. De Franse intelligentsia leverde in beide kampen een hartstochtelijke bijdrage aan wat Julien Benda de politieke organisatie van de haat noemde. Hij schreef La trahison des clerqs (1927) toen hij zelf afstand had genomen van een extreem-rechts verleden. Die persoonlijke ontwikkeling zou hem, na een kortstondige periode van reflectie, uiteindelijk aan het andere, communistische, einde van het spectrum brengen.

Benda was lang niet de enige intellectueel die in Frankrijk van het ene naar het andere extremisme verhuisde. Een belangrijke verklaring voor dit fenomeen - symptomatisch voor de zwakke positie van het liberalisme in dit land - was waarschijnlijk dat de voor het Franse denken zo belangrijke nadruk op de uitzonderlijkheid en genialiteit van de eigen natie in beide kampen een prominente plaats kreeg.

Voor de communistische partij speelde de solidariteit met de in 1917 opgerichte Sovjet-Unie uiteraard een hoofdrol. Maar in haar optreden greep de PCF ook terug naar typisch nationale waarden: de partij beschouwde zichzelf als de erfgenaam van het Jacobijnse universalisme dat pretendeerde de idealen van de Franse Revolutie te vertegenwoordigen. De intellectuele steun voor het communisme werd bovendien bevorderd door het verlangen naar de linkse eenheid, dat in 1936 werd ingelost met de vorming van het door Léon Blum geleide Volksfront. Hoewel geplaagd door een gebrek aan politieke successen bleef dit politieke samenwerkingsverband, dat zijn roem mede dankte aan de nationale bundeling van krachten tegen de 'reactie', tot ver na de Tweede Wereldoorlog een invloed uitoefenen die mystieke proporties aannam.

In 1936 publiceerde André Gide, die vier jaar eerder lid van de PCF was geworden, zijn verslag van een reis door de Sovjet-Unie: Retour de l'URSS. Dit afscheid van het communisme sloeg slechts in beperkte kring aan. Voor links georiënteerde intellectuelen bleef het beeld van de werkelijkheid bepaald worden door een idealisme dat zich afsloot voor onaangename feiten. Zo kon het communisme al in de jaren derig een klinkende reputatie opbouwen als aanvoerder van het anti-fascisme, hoewel de communistische partij in Duitsland met haar hardnekkige strijd tegen de wankele Weimar-democratie alles had gedaan om begin jaren '30 het pad voor Hitler te effenen. Bovendien werd vergoelijkt dat Stalin in 1939 een bondgenootschap met de Duitse Führer sloot dat de inleiding was tot hun gezamenlijke verovering van Polen.

Ook nadat Frankrijk in de zomer van 1940 door Duitsland was overweldigd hield dit pact nog een jaar stand, een periode waarin de PCF Stalins alliantiepolitiek bleef steunen. Die houding raakte na de Tweede Wereldoorlog echter snel in de vergetelheid: de Franse communisten konden hun krediet van anti-fascistische beweging weldra weer voluit exploiteren. Hun reputatie als verzetspartij, opgebouwd nadat Hitler in juni 1941 de Sovjet-Unie was binnengevallen, droeg uiteraard veel bij aan dit prestige.

Minstens zo belangrijk was echter dat de PCF met haar nationaal georiënteerde anti-fascisme als concurrent van De Gaulle het vacuüm kon opvullen dat was achtergelaten door het na colloboratie met de Duitse bezetter in diskrediet geraakte nationalisme van restauratieve snit. Het gedrag van de in 1945 ter dood veroordeelde schrijver Drieu la Rochelle was symptomatisch voor de houding van deze tijdens het interbellum nog invloedrijke beweging.

Jean-Paul Sartre werd de belangrijkste figuur in het Franse intellectuele leven van na de oorlog, zo schrijft Winock, die er overigens geen geheim van maakt weinig affiniteit met diens opvattingen te hebben. In oktober 1945 richtte deze auteur, die meer door zijn literaire werk dan door zijn politieke essayistiek beroemd zou worden, zijn eigen tijdschrift op: Les Temps Modernes. Daarin werd gepleit voor een geëngageerd schrijverschap en Sartre zelf nam de taak op zich het communisme te propageren als enige hoop op een beschaafde toekomst. Elke anti-communist, zo vatte hij zijn oordeel over zijn tegenstanders in 1952 samen, is een hond.

Sartre erkende dat de Sovjet-Unie misstanden kende, maar die vielen volgens hem in het niet bij de exploitatie en onderdrukking die het gezicht van de kapitalistische geldzucht bepaalden. Na de repressie, in 1956, van de anti-Sovjetopstand in Boedapest, distantieerde hij zich van Moskou. Maar hij bleef een felle anti-anti-communist en pleitbezorger van een 'Derde Weg' die op basis van een anti-kapitalistische revolutie gelijkheid en vrijheid moest brengen.

Dit 'gauchisme', dat vooral in zijn anti-Amerikanisme sterk nationaal was georiënteerd, zou nog decennia lang in intellectuele kring een overheersende invloed behouden. De waardering voor een door Winock bewonderde auteur als Raymond Aron, die sinds de tweede helft van de jaren '40 met zijn pleidooi voor gematigdheid en liberalisme de belangrijkste tegenstrever van Sartre was, bleef beperkt. Hij werd pas in de loop van de jaren '70 een gerespecteerde en zelfs bewierookte intellectuele leidsman. Die omslag was te danken aan de verschijning van Solzjenitsyns Goelag archipel (1973), dat voor 'gauchistes' als Glucksmann en Henry-Lévy aanleiding was radicaal met het communisme te breken.

Pas toen maakte het intellectuele links-radicalisme in Frankrijk zich los van het verlangen naar een linkse eenheid die de poging van Léon Blum moest overdoen om de anti-kapitalistische samenleving gestalte te geven. Merkwaardig genoeg kwam die linkse eenheid korte tijd later, in 1981, als politieke organisatie onder leiding van Mitterrand na een lange oppositieperiode eindelijk aan de macht. Binnen twee jaar bevestigde zij het failliet van een oud ideaal: het bleek onmogelijk de beloofde breuk met het kapitalisme te voltrekken.

Cause finale

Winock concludeert dat het politieke engagement van Franse intellectuelen de afgelopen eeuw steeds in het teken stond van een cause finale, een verlossend ideaal waarin de grandeur van de natie en het visioen van een nieuwe samenleving met elkaar waren versmolten. Altijd werd een bevlogen betrokkenheid gevoed door hoge morele beginselen. Alom heerste de illusie dat de politiek een instrument was om een 'conception globale et dogmatique' (Sartre) ten uitvoer te brengen.

Hoe de politiek werkte, wat de gevolgen konden zijn van dit absolutistische moralisme, daarvoor interesseerden slechts weinige intellectuelen zich: Aron was de bekendste uitzondering. Dit breed gedeelde verzuim maakte het mogelijk de ogen te sluiten voor de mogelijkheden die de politieke macht had om van deze grootse concepties misbruik te maken.

Is met het verdwijnen van de utopie als richtsnoer voor de politiek ook de geëngageerde rol van de intellectueel uitgespeeld? Winock meent van niet, al zijn intellectuelen aan het einde van de twintigste eeuw volgens hem veroordeeld minder moralist en meer pragmaticus te worden. Van Bosnië tot de verloedering van de grote agglomoraties, van de EMU tot de immigratiepolitiek: er blijven genoeg kwesties over die vragen om welsprekende en geëngageerde interventies in het publieke debat. Maar dit engagement moet zich onvermijdelijk op concrete vraagstukken richten en mist noodgedwongen de spectaculaire dimensie van 'la cause finale'. Het vraagt minder om pathos en meer om kennis en denkkracht, het heeft minder met een roeping te maken dan met een ambacht. Het einde van utopia heeft in dat opzicht de taak van mensen die het van hun verstand moeten hebben, moeilijker maar zeker niet kleiner gemaakt.

Zal het verdwijnen van alomvattende concepties ook tot een minder eenzijdige fixatie op de eigen natie leiden? Voor Franse intellectuelen was hun eigen land immers altijd de proeftuin van een project dat universele allure had. Het boek van Winock onderstreept onbedoeld hoe geïsoleerd het intellectuele debat de afgelopen eeuw in Frankrijk is geweest. Men debatteerde onder elkaar, omdat Frankrijk nu eenmaal als het centrum van het politiek-ideologische universum werd beschouwd. De belangstelling voor bijdragen uit omringende landen blijkt minimaal te zijn geweest. Zal met de teloorgang van de politieke utopie ook de met dit utopisme verbonden geest van Barrès terugwijken? Winock stelt deze kwestie niet aan de orde, maar het is een van de intrigerende vragen die de lezing van zijn rijke boek oproept.