De biograaf is een broederlijke voyeur

Jan Fontijn: Broeders in bedrog. De biograaf en zijn held. Querido, 167 blz. ƒ 39,90

Richard Holmes: Dubbelspoor. Over de biografie. Uit het Engels vertaald door Eugène Dabekausen, Barbara de Lange en Tilly Maters. Contact, 130 blz. ƒ 24,90

Steeds spannender wordt het in het domein van de literaire biografie ofwel de schrijversbiografie. Niet alleen omdat er de afgelopen jaren enkele fascinerende biografieën zijn verschenen, vooral ook in de essayistische gedachtenwisseling rondom de biografie. Het genre eist kennelijk, en terecht, diepgaande beschouwingen. Twee recente publikaties bewijzen dat de biografie uitdaagt tot boeiende essayistiek. En de beide titels waaronder de boeken gaan geven trefzeker weer waar het om draait.

Jan Fontijn beschouwt de biografen als 'broeders in bedrog'; de biografen willen alles weten over hun onderwerp, maar de gebiografeerde heeft een natuurlijke weerwil tegen die uitpluizerij van zijn leven. Hierdoor zijn de biograaf en zijn held feitelijk elkaars natuurlijke vijanden. Tegelijkertijd kunnen ze niet zonder elkaar; zonder de biografie bestaat de literaire held niet. Richard Holmes, die de Huizinga-lezing hield over De biografie en de dood, noemt zichzelf een 'romantisch biograaf'; hij verlangt een zodanige identificatie met zijn held dat de biograaf met hem samenvalt. Dat is wat Holmes een 'dubbelspoor' noemt. Dat voetspoor van iemands levensloop moeten we ook letterlijk nemen. Holmes volgt de reizen van anderen, kiest de herbergen waar zij overnachtten en leest tegelijkertijd hun werk. Hij doet dat indringend met schrijvers en dichters als Gérard de Nerval, Stevenson, Shelley.

In Dubbelspoor verhaalt hij over twee van zijn literaire helden, Robert Louis Stevenson en James Boswell. We komen, zeker in het eerste reisjournaal, evenveel te weten over Holmes als over Stevenson. Halverwege het verhaal ontdekt Holmes opeens de biografie, het is een soort openbaring ofwel een mystieke vereniging dwars door de tijd heen van twee verschillende figuren. Hij kon zijn leven als biograaf beginnen.

Jan Fontijn bouwt in Broeders in bedrog een intrigerend spiegelpaleis op van eerlijkheid en voyeurisme, van psychologisch inzicht en het besef een ander niet werkelijk te kennen. Hij beschouwt de biograaf als een 'voyeur-schrijver'. Hij schrijft: 'De voyeur-schrijver is eenzaam in zijn hartstocht. De schaamte over zijn hartstocht dreigt hem te isoleren. Hoe heerlijk een lotgenoot en een bondgenoot met dezelfde pre-occupatie te vinden! Waar de een terugdeinst en aarzelt, zet de ander door. Waar de een geen oplossing weet, is de ander inventief. De een vraagt: zijn mijn waarnemingen of vermoedens juist? De ander zal hem antwoorden.'

Het zijn tal van bijzondere en interessante visies die Fontijn verwoordt. Hij zoekt, meer dan Holmes, naar de grenzen van het genre. Wanneer verandert een biografie in een roman? Welke dilemma's moet een biograaf overwinnen? Bij Holmes lijkt het schrijven van een biografie vanzelf te gaan, Fontijn daarentegen is zich terdege bewust van alle gevaren, ontsporingen, valkuilen en klippen.

Het woord 'waarheidsgetrouw' is voor Fontijn de grootste en tevens moeilijkste opgave van de biografie. Maar waarheidsgetrouwheid bestaat niet in de kunst van de biografie. Vertekening en verdichting zijn immers onvermijdelijk. Want hoe kun je iemand kennen die je niet kùnt kennen? Wat een biograaf ten dienste staat zijn iemands literaire oeuvre en verder de documenten over diens leven. Is iemand lang geleden overleden, zoals in het biografische werk van Holmes, dan is het onmogelijk met nabestaanden te spreken die de held hebben gekend; Fontijn zelf kon voor zijn tweedelige biografie over Van Eeden wel mensen spreken die Van Eeden hebben gekend.

Het inspirerende van Broeders in bedrog is dat het tal van overwegingen oproept over het schrijven van een biografie. En met elke gestelde vraag wordt het ook spannender. Hoe ver moet het zienerschap van een biograaf reiken? Mag hij verbanden 'zien' die voor de held waarschijnlijk nooit hebben bestaan? Natuurlijk mag hij dat, want zonder visie, zonder een raamwerk kan geen biograaf schrijven.

Ter illustratie van zijn betoog gaat Fontijn moeiteloos om met een aantal belangrijke werken uit de wereldliteratuur, zoals De walging van Sartre, Manns Doktor Faustus en The Real Life of Sebastian Knight van Nabokov. In al deze boeken, geschreven op de grens van roman en biografie, toont hij aan hoe auteurs spelen met die twee mooiste aspecten van het schrijven: de werkelijkheid en de verbeelding daarvan. En passant doet Fontijn uitspraken over de tragiek van het schrijverschap, namelijk dat wie schrijft het leven ontkent, want schrijven èn leven gaan niet samen. De romanticus Holmes overwint al schrijvend de tijd; de biograaf Fontijn ziet gevaren, en overwint die door de zorgvuldige manier waarop hij naar antwoorden en oplossingen zoekt.