Zoveel suggestie in een foto

Een foto van dertien heren, in elk geval mannen. Vier zitten, negen staan erachter, allen hebben een glas champagne in de hand. Ze lachen geforceerd en zien er bruin, bezweet uit. Maar dat kan ook de lichtflits zijn, of de harde afdruk. Is het mogelijk om zó, zonder het bijschrift te lezen, vast te stellen wat die mannen zijn?

Laat eens zien. Misschien plastische chirurgen in jaarvergadering, of de maandelijkse meeting van Rabo-directeuren regio Brabant-Oost? Een verbroederingssessie van mafia-bazen in Florida?.

Maar één van hen, zittend op de voorste rij, heeft een geruit jasje aan en geen donkerblauw pak zoals de anderen, en dat mag niet van The Mob. Bij de Rabo ook niet, trouwens.

Het zou van alles kunnen wezen, maar het zijn dertien voetbalmakelaars. Dat onthult een bijschrift: 'De duistere wereld van de voetbalmakelaars' en meteen valt alles op zijn plaats. Natuurlijk! Die wilde dassen, die net iets te dikke, onbetrouwbare koppen. De proleterige, wijdbeense manier van zitten (behalve die man in het ruitjasje, hij ziet er plotseling heel bonafide en goedzakkerig uit). Hoe kon iemand ooit aan chirurgen denken!

Het is een mooie foto van Bert Nienhuis (in Vrij Nederland) en (want?) hij bevestigt alle vooroordelen over voetbalmakelaars. Nienhuis is een goeie vakman, dus die slagschaduwen achter die koppen, dat clair-obscuur-achterkamersfeertje is geen toeval. Ethici van de pers, en daar hebben we er een handvol van, zullen het wel bedenkelijk vinden om zoveel suggestie in een foto te leggen. Maar vergeleken bij wat in het accompagnerende artikel wordt onthuld over makelaarspraktijken, is die plaat aan de flatteuze kant. En objectiviteit bestaat niet, zoals wij weten. De minimumeis is misschien, dat een fotograaf de techniek niet mag misbruiken voor persoonlijke, quasi-artistieke oefeningen, en dat hij een vorm van bewijs kan leveren voor zijn visie. Dat kan Nienhuis.

De voetbalmakelaars, zo blijkt ook uit het verhaal van Jaap Visser, deugen voor geen cent. De Belg Louis de Vries (de man met dat ruitcolbertje op de foto) erkent dat het vroeger inderdaad een cowboywereld was: “Veel makelaars konden nauwelijks lezen of schrijven. Ze wisten niet van welk hout pijlen te maken.” Mooie Antwerpse uitdrukking.

Ook andere weekbladen houden zich bezig met ethiek in het zakendoen. Matt Dings (HP/De Tijd) signaleert in een traag voortstromend verhaal dat het bedrijfsleven de ethische waarden, die een paar jaar geleden nog als links werden beschouwd, heeft overgenomen. En niet alleen als gimmick, of met het oog op de winsten, maar diep doorvoeld. Elsevier levert daarvoor als het ware een bewijs met een een verhaal over de innige banden die ICI Rozenburg onderhoudt met de omgeving - in het bijzonder met de basisschool De Rank. “Onze ambassadeurs”, zegt pr-man Niko van Gent liefkozend. Sommige klachten van de buren - bijvoorbeeld vrachtauto's die een sluiproute volgen door het dorp - kunnen snel worden verholpen. Maar, zegt Elsevier: “de kans op stank, lawaai en ongelukken is nu eenmaal inherent aan de chemische industrie. Daarover zwijgen, versterkt de zorgen.” Dus: stank en lawaai blijven, maar je kunt er tenminste over praten.

Waar je ook over kunt praten is Het penseel van de liefde, oftewel de fallus, en dat doen Hugo Camps van Elsevier en de Belgische uroloog prof dr. Bo Coolsaet. De laatste heeft een boek over dat onderwerp geschreven, waaruit veel mannen iets kunnen leren. Hij verwacht een nieuwe botsing tussen de seksen, nu de rolpatronen zijn gekanteld en de vrouw gelijkwaardig wordt. “De grote potente man is de grote leugenaar. Hij was altijd al kwetsbaarder en banger dan het opgehouden manbeeld deed vermoeden, maar niemand mocht het zien. De man heeft altijd boven zijn potentiestand geleefd.” Maar de lengte doet er niets toe. “Als een vrouw klaagt dat ze geen orgasme krijgt omdat de penis van haar minnaar te kort is ben ik gauw klaar: niet de penis schiet tekort, uw liefde schiet tekort, mevrouw.”