Weg van de natte winter

In de winter van 1986 besloot ik een paar maanden weg te gaan. Ik was het studeren beu, het was koud en nat: het was tijd om de wereld eens van een andere kant te bekijken. Ik had net voldoende geld voor een vliegticket naar Sydney en een verblijf van korte duur in een goedkoop hotel. Ter plaatse zou ik wel zien hoe ik aan de kost kon komen.

Het was drukkend warm toen ik op kerstavond in Sydney landde. In de buurt van de haven vond ik een pension dat tussen de haveloze pakhuizen opviel door zijn felblauwe gevel. De eigenaar van het pension, een voormalig kangoeroejager genaamd McCartey, vertelde mij dat hij de gevel ieder jaar in een andere kleur verfde. 'Some change will stop the bore', was zijn motto, wat zoiets betekent als 'verandering doet leven'. Dat motto gebruikte hij te pas en te onpas, ook als er ineens geen warm water meer was omdat hij de gasrekening niet had betaald.

Afwisselend was het pension zeker. Niet alleen de voorzieningen waren aan verandering onderhevig, ook het gastenbestand veranderde met enige regelmaat rigoureus. Zat het pension 's ochtends nog vol met Chinezen die op een vergunning wachtten om in het binnenland als kok te mogen werken, 's middags, bij terugkeer van mijn omzwervingen door Sydney, was er geen Chinees meer te bekennen. Het pension was ineens gevuld met een paar omvangrijke Kroatische families, die zojuist in het beloofde land waren gearriveerd. Een week later waren het weer Indonesische houthakkers, die hun geld aan het verbrassen waren.

Omdat mijn geld opraakte, vroeg ik McCartey of hij een mogelijkheid voor mij wist om wat te verdienen. “Legal or real business?” wilde McCartey weten. Ik vermoedde dat de keuze voor 'real business' consequenties kon hebben voor mijn nog onbeschreven strafblad, en dat leek me gelet op mijn geambieerde juridische carrière bepaald onwenselijk. Vandaar dat ik antwoordde 'legal'. McCartey schudde zijn hoofd. “Dan weet ik maar één mogelijkheid”, zei hij, “de koala sanctuary.” En hij gaf mij het telefoonnummer van een neef die daar als opzichter werkte.

De koala sanctuary bleek een opvangcentrum voor koala's te zijn in een park aan de westkant van Sydney. McCartey's neef hield kantoor in een metalen keet bij de ingang van het park. “We can always use men that can handle koalas and pensioners”, zei de neef terwijl hij mijn hand schudde. De bezoekers van het park waren voor het merendeel gepensioneerde inwoners van Sydney, legde hij uit. Het sollicitatiegesprek was snel afgelopen. Ik werd aangenomen als parkwachter met als opdracht de koala's van vers water te voorzien.

De volgende dag begon ik in mijn nieuwe functie. Ik vormde een team met Jim, een Albanees die al in de jaren zestig naar Australië was gekomen. Door zijn beperkte kennis van het Engels sprak hij in korte zinnen. “Jim is my Aussie-name”, zei hij bij onze kennismaking, “Albanian name very difficult.” Jim zorgde voor het eten van de koala's. Dat moest net als het water driemaal daags worden ververst. Samen liepen we een vaste ronde langs de koalaverblijven.

Het leven van de koala bestaat uit een cyclus van eten, drinken en slapen, waarbij het laatste veruit het belangrijkste is. Het grootste deel van de dag hingen de koala's slapend aan een tak. Zonder de rust te verstoren gingen wij de koalaverblijven binnen om er vers voedsel en water klaar te zetten. Dat was alles. De meeste tijd werd door de bezoekers in beslag genomen.

Doordat Jim al acht jaar in het park werkte, kenden alle vaste bezoekers hem. Jims beperkte verbale mogelijkheden en zijn vriendelijke karakter maakten hem tot een ideale gesprekspartner voor mensen die om een praatje verlegen zaten. Onze rondgang door het park werd dan ook steeds onderbroken doordat bejaarde bezoekers hem aanspraken. Die gesprekken begonnen steeds met de vraag hoe het met Jim ging, waarna een gedetailleerde opsomming volgde van alles wat de bezoeker zelf bezig hield. Zo'n gesprek kon een half uur duren. Op die manier viel het niet mee om op een dag de drie rondes te maken.

Het park sloot om vijf uur, waarna Jim en ik nog een biertje dronken met de neef van McCartey in diens metalen keet. Daarna fietste ik terug naar het pension.

Zo vulde ik de werkdagen. 's Avonds las ik Melville's Moby Dick en in de weekends zeilde ik in de baai van Sydney. En hoewel er weinig verandering in dit ritme optrad in de drie maanden die ik in Sydney doorbracht, verveelde het geen moment. Ik had eigenlijk nog jaren zo door kunnen gaan. Maar op een regenachtige lentedag in 1987 landde ik op Schiphol, nam de trein naar Leiden, om op een tochtig zolderkamertje de studie weer op te pakken.