Tom Lanoye; Ten oorlog in Napels aan de Noordzee

Shakespeare's koningsdrama's swingen, rappen en hoppen in de vertaling en bewerking van Tom Lanoye. Een gesprek over taalexplosies, Dutroux en 'La Flandre profonde'.

Alle voorstellingen van 'Ten Oorlog' zijn al uitverkocht. De Blauwe Maandag Compagnie overweegt nog volgend seizoen een reprise op het programma te zetten.

'Ten Oorlog' is ook in boekvorm verschenen. De koningsdrama's in de vertaling van Tom Lanoye zijn in een cassette uitgegeven met daarin de drie delen. Prometheus, 1997, 45 gulden. De boeken zijn op het ogenblik uitverkocht, maar worden herdrukt.

Gerrit Komrij vertaalde de toneelstukken van Shakespeare in een serie boeken, waaronder Koning Lear, de Koopman van Venetië en Othello. Bert Bakker, 1990-1996, 35 gulden. In deze reeks zullen nog nieuwe vertalingen verschijnen.

HET IS ALDOOR weer die kroon, die felbegeerde en vervloekte koningskroon, the crown, this damned fuckin' crown. Wie hem niet draagt, gaat ten gronde aan zijn verbetenheid hem wel te bezitten; wie hem wel draagt, vindt een wrede dood door de niet aflatende machtswellust van anderen.

Schrijver Tom Lanoye (Sint Niklaas, 1958) vertaalde de koningsdrama's van William Shakespeare, deze bloeddorstige, honderd jaar omspannende kroniek van zes laat-middeleeuwse Engelse koningen (1398-1485). In elk van hun namen - Richard II en III, Henry IV tot en met VI, Edward IV - weerklinkt een ongebreidelde eerzucht, een pervers verlangen naar heerschappij. Onderdanen tellen niet mee. Nee, het gaat om broers, neven en ooms, vaders en zonen, complotten van het ene koningshuis jegens het andere. En, ten slotte gaat het om de ondergang van de koningen zelf. Elke Richard of Henry keelt uiteindelijk zichzelf.

Richard III, de vileinste van allen, spant de kroon. In een bloedstollende scène uit Ten Oorlog, de toneelmarathon die regisseur Luk Perceval en Tom Lanoye componeerden van deze koningsdrama's, vermoordt Richard zijn twee neefjes. Onschuldige bloedjes van kinderen, maar wel zijn troonopvolgers, dus levensgevaarlijk. Achteloos gooit hij een bal en een rood kinderhoedje in het water van de toneelvijver. Het sobere beeld is schokkend: dood zijn ze, vermoord! Dan gaat hij aan een tafeltje zitten, huilend en kermend, scheurt vlakbij een microfoon een gebraden kip uiteen. Hij eet de neefjes op.

Jan Decleir zegt, als deze Risjaar Modderfokker den Derde, zoals hij bij Lanoye heet: 'Their fingernails like schelpjes from some sea... Een molen van gebeden op hun kussen.../ Hun tongetjes gespijkerd als twee vlinders.../ O Satan... meesterwerk gewurgd van liefde.../ Van zuiverste begeerte... Zíj zijn schuldig!'

Onvergeeflijke daad, onvergetelijke woorden, alleen al door de nekslag aan het slot: “Zíj zijn schuldig.” Het hele twaalf uur durende Ten Oorlog wijst naar dit ijzige, dramatische moment. Een literaire grande bouffe, Shakespeare in de stijl van grand guignol.

Twee jaar lang heeft Tom Lanoye eraan gewerkt om deze historische drama's zo te krijgen, zo en niet anders. “Dat Richard III bij ons is getooid met de naam Risjaar Modderfokker is niet zomaar een Amerikanisme. Oorlog is een mannenzaak, maar niet voor Richard. De oorlog die hij voert, is tegen het bestaan gericht, en dus tegen de vrouw. Tegen de modder, de moeder die hem baarde, die hem het leven in joeg, het leven dat hij niet wil leiden. Hij moddert rond in een taal die desintegreert, zoals hij zelf uiteenvalt. Hij reikt naar woorden, niet langer bijeengehouden door grammatica, zoals een drenkeling naar wrakhout. Hij zit aan dat tafeltje - eten, drinken, schuimen.

“Zijn belangrijkste veldslagen heeft hij geleverd met vrouwen. In een oorlog gaan mannen ten onder. Maar de creatie van die mannen, die komt van de moeder. Daarom is hij een 'modderfokker'. Hij vervloekt haar, maar hij heeft haar ook lief. Aan het slot, als hij met tafeltje en al, de wijn, het weerzinwekkende vleesgerecht, omver kantelt, spreekt hij de vervloeking van zijn moeder uit: 'Sweet Modder die mij in de wereld scheet:/ De lafheid van je liefde liet mij leven/ Waar echte liefde me gewurgd zou hebben./ Ik vraag je schoon, verlos mij, help mij please,/ Zoals ik jou verlost heb uit jouw lijden./ Ik rijd naar jou en cut je kut aan stukken/ Waarin ik rotten moest, voor ik mocht rijpen...'

“In deze slotscène valt zelfs de vijfvoetige jambe, die ik in alle drama's heb gehandhaafd, uit elkaar. Risjaars tekst is associatief als moderne poëzie. Hij is ontgoocheld, krijt en kermt van doodsverlangen. In die onttakeling past geen burgerlijke esthetiek. Eigenlijk is het een glorieuze luide knarsende scheet, en geen valse retoriek. Hij gaat dood. Hij bestaat niet meer. En waarom zijn de neefjes schuldig, waarom moeten die dood? Meer dan troonopvolgers zijn zij een belediging in Risjaars ogen. Gave jonge kinderen met een onschuld die hij nooit heeft gekend. De moederschoot eigenlijk nog maar pas ontglipt.

“Toen Jan Decleir deze tekst bij een lezing voor het eerst las, waren juist twee dagen ervoor de meisjes Julie en Melissa opgegraven, de twee jongste slachtoffertjes van Dutroux. Ze waren uitgehongerd, vermoord, weggegooid. Jan moest 'Virgin Ass' zeggen. En ook: 'O Modder of Compassion, Wekster/ Van this heart of mine dat niet met kloppen stopt,/ Verlicht mijn lijden, kus mij, streel mij dood!/ For once! O take me in your arms van lood/ En schuif mij like a dolphin in je schoot.'

“Jan kon en kan nog steeds de woorden bijna niet zeggen. Het is geniaal om te zien hoe het monstre sacré van het Vlaamse toneel zo stamelend en zonder gêne op het toneel desintegreert. Zijn taal explodeert. Doordat hem de taal wordt afgenomen, nader je hem dichter dan je lief is. Je wordt medeplichtige. Dat is juist het tegenovergestelde van wat er nu aan de hand is met Dutroux. Hij wordt gedemoniseerd en daardoor blijft hij op grote afstand. Hij wordt bijna onschuldig. Ja, nu gaan er opeens stemmen op dat Dutroux het slachtoffer is van een quasi-erotische reclamefoto met twee meisjes erop en dat affiche van Benetton met een paard dat een merrie berijdt. Ik ben echt onthutst en verbijsterd over de domme zwijnen van de Vlaamse politiek. Hoe is er in Nederland op Dutroux gereageerd?

“Er gaapt een kloof tussen Nederland en Vlaanderen. Voor Nederlanders zijn wij gezellige zuiderburen die tof bier brouwen. Maar ik heb moeten ontdekken dat zaken die hier wekenlang de voorpagina van de kranten halen in Nederland onbekend zijn. Dat beschouw ik als het failliet van het esperanto. Verbroedert het ons dat we dezelfde taal spreken? Beslist niet.”

Dutroux, het politiek intens corrupte Vlaanderen, de Shakespeare-trilogie, het machtsblok van rechts en de stad Antwerpen waarvan 28 procent stemt op het Vlaams Blok hebben van Tom Lanoye de politiek schrijver gemaakt zoals hij zich in de afgelopen herfst heeft gemanifesteerd. Op drie fronten gaat hij in de aanval: met Ten Oorlog, met zijn roman Het goddelijke monster, over de hypocrisie van de grote Vlaamse, invloedrijke families, en met zijn solo-optreden Gespleten en bescheten, waarin hij de politici van zijn land als een stelletje mafiosi ontmaskert. Alles grijpt in elkaar, het een komt uit het ander voort. Lanoye is ontvankelijk voor alles wat hem omringt, dat blijkt uit de stilistische spankracht van zijn Shakespeare-vertaling, uit zijn columns voor het blad Humo, en het spreekt uit elk van zijn observaties. Het swingt, rapt en hopt in zijn taal. De nabije wereld, dat is zijn goudmijn.

“Tijdens het vertalen, en dus het schrijven van Ten Oorlog”, legt hij uit, “maakte ik gebruik van de taalpap die ons omgeeft. Het Frans dat veelvuldig voorkomt in het eerste deel, In de naam van de vader en de zoon, is voor mij als Vlaming de taal van mijn jeugd. De bourgeoisie van Antwerpen en Gent praat nog steeds Frans, met een vleug Vlaams erdoor. Alle stoplappen van de hedendaagse Amerikaanse film en soaps stonden tot mijn beschikking. Voor mij is taal plastiek, als klei. Alles wat ik Nederlanders hoor zeggen, en de rare Duitsers, Schotten, Angelsaksen, is voor mij van belang. Ik keek naar tv, luisterde naar rapsongs uit Los Angeles, er zitten in Ten Oorlog gedichten van Paul Snoek en Guido Gezelle. Ionesco kreeg zijn plaats, Beckett, Bernhard, Werner Schwab. Ik laat de vorstelijke telgen van het huis York in vuigheden met elkaar bekken als de gangsters in Reservoir Dogs van Quentin Tarantino.

“In de loop van de repetities is Ten Oorlog steeds soberder geworden. Luk begon eerst met opera, honderden bebloede lijken uit de hoogte van het toneelhuis, een vloer barstensvol rekwisieten en decorstukken, muziek erin. Er waren componisten uitgenodigd. Maar de taal werd steeds meer hoofdpersoon. Van archaïsch Frans en zingend Vlaams, als in het tweede deel Zie de dienstmaagd des heren, naar de bitse bitterheid van het backstreet Amerikaans in het slot, Verlos ons van het kwade.

“De acteurs durfden steeds meer met lege handen te spelen. Gaandeweg het repetitieproces heb ik me losgemaakt van het historische perspectief. Dat heeft me bevrijd, eigenlijk interesseren die koningshuizen me helemaal niks meer, ik wil de teloorgang van deze mensen tonen, de kanker die rot in ieder die een koningskroon draagt. Ik heb me ook losgemaakt van het monument Shakespeare, en vond mijn eigen muziek der taal. Vereenvoudiging is het wezenlijkste. Wales en Schotland zijn weggewerkt. Wij hebben in geografisch opzicht feitelijk maar drie locaties. Eerst natuurlijk Engeland. Dan Ierland, het land van de opstanden en het barbaarse, morrende boerenvolk. Zuidwaarts ligt Frankrijk waarmee de Engelse koningen intens behept zijn. Hun bruiden komen er vandaan en het is de schakel naar Italië, het land van het machtsgeile machiavellisme.”

In het eerste bedrijf van Henry V (Hendrik de Vijfden) zegt Falstaff: 'Verleen mij uw verbeelding./ Zing ik van Hendrik, zie hem dan voor u,/ Gereed om scheep te gaan op het Kanaal./ Zijn kaaklijn, scherper dan de snee van zwaarden.'

'Verleen mij uw verbeelding': het zijn de sleutelwoorden voor Lanoye. Zoals in zijn performance Gespleten en bescheten en in zijn roman Het goddelijke monster gaat het in Ten Oorlog om 'La Flandre profonde'. Het mythische Vlaanderen met haar trouwfeesten en snoepgoed-architectuur, de homo-erotische etablissementen, de familiebanden. Voor Lanoye is Vlaanderen 'Groot-Napels aan de Noordzee'. Volgens Lanoye is België uitgegroeid tot het grootste Little Italy ter wereld: “Er heerst zwijgplicht voor ambtenaren, zwijggeld voor anderen. Het vreten is er geraffineerd. Ik klamp me vast aan de woorden van Louis Paul Boon die de mensen een geweten wil schoppen maar tegelijkertijd beseft dat dat alles zinloos is. Toch heb ik niet het temperament om te zwijgen. De Vlaamse politici zijn bijna allemaal in stilte Vlaams-Blokkers. De dronken Rijkswacht controleert op een plein elke half uur, elke tien minuten, elke vijf minuten Marokkaanse jongeren op hun identiteitsbewijs. En dan maar schelden over opstanden van de buitenlandse jeugd. Er is een mobiliteitsplan voor Antwerpen ontwikkeld waarin staat - je gelooft het werkelijk niet - dat in het eerste stel van de tram de Antwerpenaren kostenloos mogen rijden, terwijl in het achterste stel de negers, de Marokkanen, de Walen, de islamieten, de buitenlanders dubbel moeten betalen! Er schort van alles aan dit beleid. Er is geen veroordeling, geen verontwaardiging, er komt geen electorale afstraffing voor het Vlaams Blok, integendeel. Door onze slappe wetgeving kan openlijk racisme niet worden veroordeeld. Ik laat me niet bedreigen door het oeroude ossenspan van premier Dehaene en de Leuvense burgemeester Tobback. Die twee moeten weg, ze zijn een gevaar voor de democratie. Die socialistische partij is zo rot als een mispel. België heeft een elektroshock nodig. De schuldvraag over de hele rechtsgang naar aanleiding van Dutroux is oorverdovend gesteld, maar er is niets gebeurd, geen enkele verandering. Het botte cynisme zet zich gewoon door.

“Ik heb geen gêne om me op een politieke lijst te laten plaatsen. Waarom schrijf je anders? Om met je literaire kop in het museum te staan? Als een kunstenaar met dédain spreekt over het volk of de politiek, dan is hij een slecht kunstenaar. Ik sta op het punt dat ik alle terughoudendheid laat varen. Ik wil gaan speechen in het parlement. De verzieking van België heeft te maken met de familiestructuren die hier zijn zoals bij de mafia. Net als Sicilië is België door vreemde landen bedreigd: door Engeland, Frankrijk, Duitsland, Nederland. Daaruit is een vorm van wederzijdse dienstverlening ontstaan die groteske vormen heeft aangenomen. Men ritselt hier alles onder tafel. Naar buiten zegt niemand iets, binnen wordt alles onderhands geregeld. Help jij me efkes hier, dan help ik je daar. De soundtrack van mijn roman en ook van Ten Oorlog wordt beheerst door deernis. Ik wil het wiel van de tijd laten zien waarin koningen niet voor broedermoord terugdeinzen. Het drama dat Shakespeare schrijft, is ook het drama van de huidige tijd. Wie de politiek in Vlaanderen volgt, met haar kontdraaierij en kuiperij, haar seksschandalen en smeergeld, haar onmacht om iets ten goede te veranderen, ziet hetzelfde als in Ten Oorlog: deep down hurts het mij dat in die botte buitenwereld geen deernis bestaat, alleen ziedend egoïsme. Die innerlijke rottenis daarvan wil ik bestrijden, verbeelden.”