Rechters hebben juist geoordeeld in zaak-Tjoelker

De vonnissen die zijn geveld in de zaak-Meindert Tjoelker hebben tot verontwaardigde reacties geleid. Dat is niet onbegrijpelijk maar, stelt J.C.M. Leijten, de dood van het slachtoffer kan alleen worden toegerekend aan de verdachte van wie bewezen is dat hij die dood heeft veroorzaakt. En dat bewijs ontbrak.

Te zeggen dat de zaak van de doodgeschopte Meindert Tjoelker landelijk de aandacht heeft getrokken, is een behoorlijk understatement. En een brede bezinning over de verschrikkingen van wat ik liever willekeurig dan zinloos geweld zou noemen, kan alleen maar heilzaam werken. Het immense verdriet van de nabestaanden en de hevige verontwaardiging van velen over wat gebeurd is, ze zijn meer dan begrijpelijk. Dat de verontwaardiging zich allengs vooral is gaan richten tegen de berechters van de verdachten laat zich ook wel verklaren, maar daarbij past een kanttekening, al zullen velen mij daarvoor niet dankbaar zijn.

In Leeuwarden hebben zes rechters het onder slagvuur genomen vonnis gewezen, want elk gewaarschuwd mens telt voor twee. En gewaarschuwd waren ze via alle media: voor de boosheid over het uit voorlopige hechtenis ontslaan van de verdachten, maar vooral over de veel en veel te laag geachte eis van drie jaar van de officier van justitie. Rechters hebben niet een beroep waarin zij op enige populariteit mogen rekenen, maar ze verlangen er ook niet hevig naar de volkswoede te trotseren en voor verkrachters van het recht, waarvan zij geacht worden de dienaars te zijn, te worden versleten. Ze moeten er daarom wel heel bijzonder van overtuigd zijn geweest dat het opleggen van nog aanmerkelijk lagere straffen dan geëist waren, doodgewoon geboden was.

Kijkt men alleen naar de kant van het slachtoffer - en dat doen begrijpelijkerwijs de familie en haar sympathisanten - dan ziet men een jonge man die doet wat velen zeker in de avond niet (meer) durven te doen: hij wijst vandalen die een fiets aan het vernielen zijn, op hun wangedrag en moet dat door hun toedoen met de dood bekopen. Als dat ook voor de strafrechter het enige aspect was van de zaak dan zou de publieke commotie over hun uitspraak behalve begrijpelijk ook nog terecht kunnen zijn, al zou welke hoe hoge straf dan ook niet als echte compensatie kunnen dienen voor het verlies van een dierbaar mens. Maar in het strafrecht is de rechter nu eenmaal verplicht ook naar de andere kant te kijken, dat is die van de verdachten. In beginsel zou het mogelijk zijn dat de daders wegens algehele ontoerekeningsvatbaarheid niet gestraft zouden kunnen worden, hoewel dat aan de kant van het slachtoffer niets aan de zaak zou veranderen.

In dit geval ligt het anders. Aan de verdachten was telastegelegd: openbare geweldpleging, die de dood tengevolge heeft. De maximum gevangenisstraf daarvoor is twaalf jaar. Vanaf een beslissing uit 1894 tot en met twee beslissingen in onze jaren negentig heeft de Hoge Raad steeds geoordeeld dat zo'n strafverzwarende omstandigheid als de dood van het slachtoffer alleen maar kan worden toegerekend aan de verdachte van wie bewezen is dat hij die dood heeft veroorzaakt. Omdat reeds het openbaar ministerie vrij snel tot de conclusie was gekomen dat niet bewezen kon worden wie van de geweldplegers Meinderts dood had veroorzaakt, liet het die strafverzwarende omstandigheid vallen. Vanaf dat moment had de rechtbank te maken met strafbare feiten waarop ten hoogste 4 jaar en 6 maanden stond.

De vraag kan gesteld worden of het niet beter is in zo'n geval, waarbij het optreden van de geweldplegers in elk geval tot de dood van hun slachtoffer heeft geleid, hen strafrechtelijk collectief voor zijn dood aansprakelijk te stellen. Als het OM en de rechtbank die lijn hadden gevolgd, zou hun beslissing, gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad die ik noemde, geen stand hebben gehouden en dat zou nog meer leed, verontwaardiging en verwarring hebben gesticht. Maar naast dit (gezags)argument is er een andere reden om die collectieve aansprakelijkheid niet aan te nemen, al is dat in sommige buitenlandse rechtstelsels wel het geval. Die reden is doodgewoon dat het meer met de rechtvaardigheid overeenstemt in zo'n geval van onmacht (wegens gebrek aan bewijs) twee mensen van wie één, maar men weet niet wie, het gedaan heeft, daarvoor niet te straffen dan twee mensen te straffen van wie het zeker is dat één, maar men weet niet wie, het niet gedaan heeft. Dat die keuze een moeilijke is en dat zij door mensen die moeten aanzien dat de dood zelf eigenlijk onbestraft blijft, niet begrepen en niet aanvaard wordt, kan ik inzien zonder daarom mijn overtuiging dat het zo beter is (zij het niet goed) prijs te geven. Het is een keuze tussen het kwade en het minder kwade, bezien vanuit een onvolmaakte rechtbedeling.

De rechters hebben weloverwogen gedaan wat zij overtuigd waren te moeten doen in het volle bewustzijn van het feit dat een andere opstelling van hen verwacht werd. En zij hebben dat op goede gronden gedaan. Zij hebben ongetwijfeld de strafmaat voor wat zij te beoordelen hadden: openbare geweldpleging tout court, gebracht binnen het verband van de strafoplegging in andere vergelijkbare zaken, waarbij ze ook rekening zullen hebben gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de daders. Zou er hoger beroep komen, dan is het mogelijk dat het hof tot andere straffen komt binnen de mogelijkheden van de bestaande strafmaat. Maar dat neemt niet weg dat aan de straffen die de rechters van eerste instantie hebben opgelegd, geen onzuiverheid kleeft. Ze verdienen waardering voor hun optreden tegen de stroom in. Maar die zullen ze niet krijgen. En ik denk dat ze dat zullen begrijpen.