Niet alle varkenshouders zijn immoreel

De varkenshouderij ligt onder vuur. Het op grote schaal gedwongen slachten van varkens heeft bij velen verontwaardiging gewekt over de omstandigheden waaronder zij bij hun leven worden behandeld. Maar lang niet alle varkenshouders verdienen straf, vindt Henk Vaarkamp.

Onder varkenshouders vindt men geen literatoren en onder literatoren geen varkenshouders. Het gevolg is dat Rudy Kousbroek met zijn artikel 'Dieren hebben geen onsterfelijke ziel' van 24 december waarschijnlijk geen schriftelijk antwoord van een varkenshouder zal krijgen. Daardoor dreigt het gevaar dat men denkt: wie zwijgt stemt toe. Daarom een reactie van minder literair formaat, maar wel een vanuit het aangeklaagde kamp.

Kousbroek poneert stellingen omtrent de moraal, de godsdienst en onze cultuur naar aanleiding van de gebeurtenissen in de Nederlandse varkenshouderij. Hij bezigt daarbij termen als 'helse omstandigheden in betonnen woestenijen', 'massagraven met bergen lijken' en 'gangbare dierenmishandeling', om er maar een paar te noemen. Hij refereert aan een eerder artikel van Leon de Winter waarin voorzichtig een analogie met de Holocaust geformuleerd wordt. Volgens Kousbroek heeft De Winter deze analogie weliswaar niet 'heelhuids' op papier gekregen, maar is het vergelijk tussen de varkenshouderij en de Holocaust toch opvallend: door de slachtoffers inferieur of onrein te noemen kan mishandeling en geweldpleging ontkend of gebagatelliseerd worden. De Winter gebruikt de term 'wegkijkers' - mensen die een andere kant opkijken wanneer zich een verschrikking afspeelt. Kousbroek beknort De Winter lichtelijk over diens pennenvrucht, maar prijst hem voor zijn intuïtief juiste, gedurfde analogie die een taboe zou doorbreken.

Op grond van deze en vergelijkbare overwegingen gaat Kousbroek over tot het trekken van conclusies over ondermeer religie, moraal en kerk. Waar het mij om gaat is de ietwat gecamoufleerde (Kousbroek citeert De Winter), maar desalniettemin overduidelijke stelling dat de Nederlandse varkenshouderij trekjes heeft van de Holocaust, om het gemitigeerd uit te drukken.

Een varken in het wild trekt in kuddes rond, omwoelt de grond op zoek naar voedsel en sterft uiteindelijk aan de gevolgen van trauma's, infecties en parasieten. Een varken als 'huisdier' houden, blijft niet bij huis, zoals een hond of een kat, maar trekt weg, zodat een vrijheidsbeperking nodig is om de houderij niet te laten mislukken. Niet alleen een hek is nodig, maar ook een onderdak om te grote afkoeling te voorkomen.

Door de neiging om in de bodem voedsel te zoeken, ook al wordt volop voedsel door de boer verstrekt, dreigt de bodem van het onderdak geruïneerd te worden en ontbeert het varken een warme ligplaats. Stro ter beschikking stellen en de vloer verharden was de oplossing. Hier ontstaat het beeld dat middelbare randstedelingen van nu hebben van een 'goede' varkensstal. De werkelijkheid was dat het varken uit de Ot en Sien-tijd stro kreeg, maar pas als het oude te vies en te nat geworden was; dat het varken geplaagd werd door ziektes die te maken hadden met de gebrekkige hygiëne en dat allerlei knaagdieren en insecten ook woonruimte geboden werd (ratten, vliegen). Dit 'ongedierte' leverde niet alleen bezwaren op voor de dieren, maar ook voor de mens.

Het Ot en Sien-beeld, nu zo gekoesterd door velen, was heel wat minder geruststellend dan gedacht wordt. Zodra de varkenshouder de kans kreeg om zijn stal te verbeteren greep hij deze kans aan. De stal voor het varken werd kunstmatig geventileerd om de stank, die in het Ot en Sien-tijdperk hoorde bij het varken, te vermijden en om ademhalingsziektes te voorkomen. Het stro verdween, waardoor de faecale viezigheid bestreden werd. De vloer van beton werd verwarmd voor de biggen. Er werden meer varkens gehouden, omdat de steeds weer terugkerende dwangarbeid van de boer (uitmesten, voeren) effectiever aangepakt kon worden. Voer kwam beschikbaar als droge, kleine brokjes, die per buis naar het varken getransporteerd konden worden. Bij de varkens werd een roestvrijstalen drinknippel gemonteerd die schoon water continu beschikbaar stelt aan de varkens. Het handmatig verwijderen van de vuile strorestanten kwam te vervallen doordat de mest en de urine zonder stro in een kelder terechtkwam. Dit mengsel kan per tankwagen worden opgezogen en geïnjecteerd worden in bouwland.

Relatief vrij loslopende varkens hebben de neiging alles op z'n kop te zetten, door hun reflexmatige voedselzoektocht. Daardoor gingen de varkensboeren er toe over elk volwassen varken een eigen plaats te geven, eerst in een houten hok, later van stalen buizen, waardoor de dieren elkaar kunnen zien en de hygiëne beter bewaakt kan blijven. Net als koeien op een ouderwetse (dus zeer gewaardeerde maar slechte) Ot en Sien-stal werden zeugen aan een band gezet, waardoor ze (net als koeien) alleen maar op konden gaan staan en gaan liggen. Anders dan bij koeien is dit systeem mede onder druk van de publieke opinie verlaten. Zeugen hebben nu elk een eigen 'box'. De nieuwe varkensstallen zijn dicht, om weer en wind buiten te houden en om de luchtbehandelingssystemen effectief te houden. Ook het gevaar op insleep van besmettelijke ziektes dwingt de boer om zijn stal hermetisch op slot te houden.

Het gevolg van deze ontwikkeling is echter dat de niet-ingewijde geen weet meer heeft van de varkenshouderij. Het Ot en Sien-beeld is verdwenen en de buitenstaander vertrouwt het nieuwe, onzichtbare niet. Als dan opeens een blik mogelijk is (danwel lijkt) doordat op het NOS-journaal een bouwkraan te zien is die een varkenslijk in een vrachtwagen takelt, slaat de veroordeling toe: helse omstandigheden in betonnen woestenijen, dat zijn het. De als vanzelf opkomende conclusie: varkenshouders zijn dierenmishandelende milieucriminelen. Ruim twintigduizend varkenshouders in Nederland: allemaal afgestompte boeven. Het woord Holocaust valt zelfs, uitgesproken door leidende literatoren. Vier miljard gulden hebben ze ons gekost, de rabauwen van onze tijd. Helse omstandigheden in betonnen woestenijen kweken beestmensen die het nationaal-socialisme in herinnering brengen.

Het zal je gezegd worden. Het zal je gezegd worden als je weet dat verweer niet gewenst is. Verweer is immers uitsluitend effectief als iemand luistert. Wie luistert, wie is geïnteresseerd?

Wat is het verweer? Dit: het houden van varkens is lang geleden ontstaan uit bittere noodzaak om te overleven, is ingeburgerd over de hele wereld, en wordt in Nederland nu bedreven op een manier die het varken aanzienlijk meer comfort biedt dan elders en dan vroeger. De manier waarop in Nederland varkens gehouden worden heeft als basiskenmerk: zorg voor het varken. Dat is niet alleen een kwestie van beschaving, maar ook van economie. Een mishandeld dier groeit niet en plant zich niet voort. De moderne huisvesting is verre te verkiezen boven de Ot en Sien-stallen.

Voor degene die vlees eten ongeoorloofd vindt is elke vorm van varkens houden verwerpelijk. Kousbroeks filippica laat zien hoe mis hij zit: hij schaart zich niet onder de vegetariërs en wenst vlees op zijn bord. Tegelijkertijd echter hunkert hij met velen naar de Ot en Sien-situatie. Hij walgt van de moderne varkenshouderij, omdat hij er niets van weet. Hij wil vlees, maar hij vergelijkt de moderne varkenshouderij impliciet met de Holocaust. Het stuitende van de Holocaust is mijns inziens ten eerste de cultuur die bewerkstelligt dat een groep mensen, equivalente wezens dus, systematisch vernietigd wordt, zonder schuldbesef. Ten tweede is stuitend de manier waarop deze vernietiging ten uitvoer is gebracht. Kousbroek ziet in de varkenshouderij het tweede element, de manier waarop. Het eerste element is niet in het geding, getuige zijn stellingname ten opzichte van het vegetarisme. Daardoor is de vergelijking met de Holocaust mank en krom en formeel onjuist.

Kousbroeks impliciete gevolgtrekking dat tienduizenden betrokkenen bij de varkenshouderij horende doof en ziende blind zijn, wordt naar mijn weten nergens besproken. Het feit dat deze groep betrokkenen voor het aller-, allergrootste deel bestaat uit verantwoordelijke mensen die werkelijk het beste voorhebben met hun dieren, lijkt niet in het minst ter zake te doen. Welzeker bestaat ook een groep onverantwoordelijke figuren die de dieren als grondstof misbruiken. Net zoals er riooljournalisten bestaan onder journalisten, en net zoals onder cultuurfilosofen barbaren aangetroffen worden. Om de hele populatie varkenshouders 'generiek', dat wil zeggen zonder aanzien des persoons, te straffen wegens het feit dat een klein aantal zich misdraagt, is niet alleen uitermate grievend, maar ook contraproductief. Als een groep ten onrechte over één kam wordt geschoren met de minvarianten uit die groep, dan blijft zo'n groep ontgoocheld achter, voelt zich verraden en raakt gedemotiveerd. Dat juist de varkens (om wie het allemaal gaat) de dupe dreigen te worden van de dwaze emotionele stellingname beseffen alleen de mensen in de varkenshouderij. Degenen erbuiten zijn uitgetreurd, vermoeid geraakt door het onderwerp en binnen de korste keren weer met wat anders bezig.

Laat niemand denken dat alle betrokkenen in de varkenshouderij volledig tevreden zijn over de gang van zaken. De manier van varkens houden wordt continu bezien op fouten en feilen. Er zijn overal altijd verbeteringen mogelijk. Er bestaat sinds kort zelfs een landelijk project, gedragen door varkenshouders en dierenartsen, waar puur vanuit het dier de kwaliteit van de leefomstandigheden van het Nederlandse varken beoordeeld wordt. Het centrale thema is de zogeheten dierveiligheid: een varkensbedrijf kan zich laten screenen op de dierveiligheid en wordt zo een dierveiligheidsindex toegekend. De bedrijven met een hoge DV-index gaan samenwerken in coöperaties om de afnemers de gelegenheid te geven producten te betrekken die gegarandeerd dierveilig geproduceerd zijn. De belangstelling voor dit project is groot vanuit de sector van de varkenshouders. Want de zorg voor dieren is hun vak.