Kroonjaren

Omdat koningin Beatrix eind deze maand een kroonjaar viert, dacht ik aan kroonjaren. Ik heb ze altijd belangrijk gevonden, onredelijk. Hoe ben ik tien geworden? Geen idee. Mijn moeder hield van partijtjes en van kinderen en zal mijn tweelingbroer en mij getrakteerd hebben. Hoe werd ik twintig, midden in de oorlog? Geen idee.

Ik werkte in een boekhandel die door een vriendin was begonnen om een joods gezin te helpen, zinvolle bezigheid, ik schreef gedichten, slechte, ik had goede vrienden, ik moet opgelucht zijn geweest de puberteit te hebben verlaten, en zonder veel verwachting.

Op mijn dertigste formuleerde ik dat een dertigjarige alles heeft beleefd en dat het vervolg van leven herhaling zou zijn. Heel juist, en gelukkig niet waar. Na je dertigste herken je in ieder gezicht een gezicht dat je eerder hebt gezien. Ik constateerde het met afgrijzen. Dat betreur ik. De herhaling bleek verrassend in plaats van vervelend en de schok van herkenning doet de fundamenten van iemands existentie opwekkend schudden. Hoe ik mijn dertigste verjaardag heb gevierd weet ik niet.

Op mijn veertigste dronk ik harswijn en at ik kip in een koude taveerne bij een Grieks dorp. Het was een feest van afscheid, tragiek en razernij. Iets volkomen eigens en persoonlijks en toch keurig, ambtelijk nauwgezet, volgens de dienstregeling die in Rümke's toentertijd beroemde boekje De levenstijdperken van de man is vastgelegd. Ik beleefde mijn midlife-crisis, banaal en toch alsof ik de eerste man was die veertig werd. In elk geval had ik gezorgd voor een persoonlijke entourage, die koude donkere kroeg op dat koude donkere eiland, en dan muziek en zingende, dansende Griekse vrienden.

Ook mijn vijftigste verjaardag vierde ik feestelijk, en ik hield me, al wist ik het niet, aan de dienstregeling. Ik woonde toen in de Jordaan, in Amsterdam, en ik wilde alle mensen die ik graag mocht bij elkaar hebben: oude en nieuwe vrienden, buurt- en kroeggenoten, collega's van krant, radio, literatuur, familieleden. Een harmonische chaos. Ik denk met plezier terug aan die avond in een door mij voor een paar uur overgenomen kroeg. Blijkbaar had ik de behoefte om in één feest mijn leven samen te vatten. Ik presenteerde, aan mijzelf, in al die mensen, een bestaan van vriendschap, liefde en collegialiteit. Er was veel aanloop, geruststellend, ondanks vreselijk weer.

Tien jaar later was ik zo anders gestemd. Geen treurnis, angst, heimwee, terugblik, sensatie, feest. Anderhalve maand voor ik zestig werd besloot ik een stropdas te dragen, omdat ik in Münster oudjaar moest vieren bij twee oude Duitse dames en er netjes uit wilde zien. Ik bleef een stropdas dragen toen ik thuis was. Ik keek vaker dan ik gewend was in de spiegel en vond dat die stropdas bij mij hoorde. Iemand in mij wilde dolgraag zestig worden, en het was een keurige man, een heer, die dat wilde. Hij had iets wazigs en geresigneerds over zich, hij praatte geaffecteerd met licht Rotterdams accent, hij gedroeg zich niet pompeus maar met een zekere waardigheid. Ik moest aan hem wennen.

Wat mij vervulde, op mijn zestigste, was een gevoel van verbazing. Hoe was het mogelijk dat ik zestig jaar had geleefd? Hoe was het mogelijk dat ik zestig jaar te eten had gehad? Hoe was het mogelijk dat ik al veertig jaar mijn brood had verdiend? Hoe was het mogelijk dat ik in een mooie flat woonde en als ik naar muziek wilde luisteren een van mijn grammofoonplaten op mijn grammofoon kon leggen? De verbaasde zestigjarige antwoordde hoofdschuddend: het kan niet mogelijk zijn.

Zoals ik bij ieder kroonjaar had gedaan - ik verzon een theorie. Wie zestig wordt, beweerde ik, verbaast zich erover dat hij zolang 'ik' is geweest. Hij is weliswaar nog bij zinnen maar hij verliest het besef van individualiteit. De zo geestdriftige of gedeprimeerde, doelbewuste of besluiteloze 'ik', die hij geweest is en voor wie hij zich geïnteresseerd heeft, verdwijnt uit het zicht. Er komt een 'hij' voor in de plaats met wie hij zich poogt te identificeren, moeizaam. Het liefst zou hij zichzelf 'wij' noemen, geen meervoud van majesteit, nee, een 'wij' waardoor wordt aangegeven dat het individu niet anders is dan verschijningsvorm, ondanks zijn bijzonderheid en onvergelijkbaarheid. Verschijningsvorm? Van wat dan wel? Ik wist geen antwoord. De theorie die ik probeerde was, zo meen ik nu, mijn laatste verzet tegen de alom bekende waarheid: wie de kern van de ui wil zien, verwijdert rok na rok en houdt niets over.

Klein vuurwerk bij de kroonjaren en halverwege de zestig en de zeventig barst een bom. Hoe weinig mensen ook blijven werken tot hun vijfenzestigste, ze veranderen. Ze krijgen AOW en bemoedigende folders en cursussen om de lege tijd te leren besteden en informatie over ouderenzorg en een tijdschriftje waarin foto's van stralende bejaarden. Over de teleurstellingen wordt gezwegen. Menige intellectueel hoopt een loopbaan lang na zijn pensioen het onderzoek te doen, het boek te schrijven dat hij op zijn dertigste heeft bedacht. Er komt zelden iets van. Tijdens de huldiging bij het afscheid - weemoed en opluchting - wordt hij al gevraagd voorzitter van commissies te worden, en hij is geen dertig meer.

De man van zestig die ik mij verbeeldde te zijn had er geen moeite mee om vijfenzestig te worden, er veranderde niets wezenlijks, en gleed loom zijn eenenzeventigste levensjaar in. Twee opwekkende maaltijden met vrienden, zo werd hij zeventig, vrijwel zonder theorie. Hij herinnerde zich dat hij op zijn twintigste nu juist zeventig een mooie leeftijd had gevonden, en was teleurgesteld. Zijn leven lang, dacht hij, had hij gemeend talent voor ouderdom te bezitten, echte, ouderwetse ouderdom, waarin het verleden geordend wordt overzien, wat voor rotzooi het ook was geweest, en dat talent bleek hij niet te hebben. Een opluchting.

In paleizen en schouwburgen viert koningin Beatrix op haar zestigste het feest dat ik op mijn vijftigste in een kroeg vierde. Harry Mulisch begon op zijn vijfenzestigste het tijdelijke te ontstijgen, bevindt zich op zijn zeventigste halverwege de hemel, en naar ik hoop evenaart hij op zijn tachtigste Thomas Mann die in zijn laatste levensjaar van huldiging naar huldiging reisde. De kroon op de kroonjaren.