Koerden hebben thuis geen toekomst

Niemand heeft er belang bij de status quo in het Midden-Oosten te wijzigen. Daarom heeft de internationale gemeenschap geen belangstelling voor de Koerden.

AMSTERDAM, 8 JAN. De afgelopen dertig jaar waren de Iraakse Koerden stinkend jaloers op de Palestijnen. Natuurlijk uitten zij dat nooit publiekelijk. Want zij werden er voortdurend van beschuldigd dat zij met hun separatistische neigingen “een tweede zionistische entiteit” in de Arabische wereld wilden vormen. Zij wisten dat zij rekening moesten houden met de gevoelens van hun voortdurend wisselende Arabische bondgenoten. Die waren tegen elke vorm van Koerdisch nationalisme, maar hielpen hen niettemin van tijd tot tijd achter de schermen als ze hun Arabische broeders dwars wilden zitten. Daarom gaven de Koerden ook geen ruchtbaarheid aan het feit dat president Saddam Hussein in de jaren '80 gebruik maakte van in Irak gestationeerde militaire eenheden van de PLO om in Koerdistan met groot geweld “orde op zaken” te stellen.

Maar onder vier ogen lieten de Koerdische leiders zich vaak verbitterd uit. Hun uitspraken kwamen altijd op hetzelfde neer: “Geef ons zulke vijanden als de Palestijnen hebben, dan zouden wij al veel meer hebben bereikt. Wij willen graag van vijand ruilen. Die van ons ontzien niets en niemand, terwijl Israel tenminste binnen de perken wordt gehouden door zijn Westerse vrienden. Onze onderdrukkers daarentegen krijgen van het Westen alle vrijheid van handelen. Waarom zijn de mensen in het Westen alleen pro-Palestijns? Waarom heeft de internationale gemeenschap geen enkele aandacht voor ons?”

Het antwoord op die vragen is simpel: niemand had en heeft er belang bij om de status quo in het Midden-Oosten te wijzigen. Alle regeringsleiders in de regio gaan uit van het principe dat het omvergooien van de bestaande staatsgrenzen en regeringen levensgevaarlijk voor henzelf is. Hun buitenlandse beschermers en bondgenoten delen die mening volledig. Vandaar dat zelfs de door iedereen zo gevaarlijk geachte Iraakse president Saddam Hussein niet ècht door zijn buitenlandse vijanden wordt bedreigd.

Die situatie bestaat in feite al sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog, toen de politieke landkaart van het Midden-Oosten grondig werd gewijzigd. Het Ottomaanse Imperium was ineengestort en opgedeeld in Turkije en een reeks Arabische staten, alle direct of indirect onder Westerse controle. In Iran, dat even 'ziek' was als het Ottomaanse Rijk, werd de dynastie der Qajaren vervangen door een generaal, die als Reza Sjah Pahlavi een nieuwe dynastie vestigde en - evenals Atatürk in het nieuwe Turkije - een moderne staat naar Westers voorbeeld probeerde op te bouwen.

Een moderne staat is voor alle machthebbers van de Derde Wereld die aan natievorming werken, hetzelfde als een strak geleide staat met één machtscentrum en één door de overheid bepaalde richting. Wie zich daaraan niet aanpast, wordt geëlimineerd. Dat werd de traditioneel zeer roerige Koerden, die in hun bergstreken eeuwen lang aan een grote mate van autonomie gewend waren, noodlottig.

Turkije, Iran en Irak sloten al in 1937 een verdrag van goed nabuurschap, waarbij zij elkaars grenzen erkenden. Eén van de praktische, maar onuitgesproken doeleinden van dit Pact van Sa'adabad was om zich te weer te stellen tegen Koerdische grensoverschrijdende activiteiten - niet alleen die van smokkelaars, maar ook van nationalistische strijdgroepen. Ondanks alle vijandschap tussen Turken, Iraniërs en Arabieren en ondanks hun geheime steun aan Koerdische nationale bewegingen in de buurlanden, houden zij nog steeds vast aan de achterliggende ideeën van dit verdrag.

In 1920 hadden de geallieerden bij het Verdrag van Sèvres beslist dat er in Oost-Anatolië en Noord-Irak (de omgeving van het olierijke Mosul) een Koerdische nationale staat zou komen. Maar nadat het nieuwe Turkije onder leiding van Atatürk erin was geslaagd de binnengevallen Grieken verpletterend te verslaan, bonden de geallieerden in. Bij het Vredesverdrag van Lausanne in 1923 slikten zij hun toezegging aan de Koerden in.

Ook Atatürk 'vergat' zijn aan de Koerden gedane beloften om een staat “van twee volkeren” op te bouwen: de Turken en de Koerden. Turkije werd een staat van maar één volk: de Turken. Daarmee vernietigde Atatürk de Koerdische dromen, die deels op de islam, deels op hun vroegere autonomie waren gebaseerd. In zijn streven naar een uniforme en moderne staat die niet langer op de islam mocht berusten, maar op de principes van 'de moderne tijd' en op puur Turks-nationalistische sentimenten, werden zijn Koerdische bondgenoten uit de oorlog tegen de Grieken gelijkgeschakeld. 'Bergturken' werden zij - en niet meer. Wie het waagde Koerdisch te spreken, werd bestraft. De opstandigen werden op gruwelijke wijze afgemaakt, de overigen gedwongen “trots op hun Turkendom te zijn”.

Groot-Brittannië, de supermacht van die dagen, wilde rust in zijn olierijk mandaatgebied Irak. Dus maakten de Britten met behulp van hun Royal Air Force een hardhandig eind aan de opstandige Koerdische beweging in Irak; haar streven naar meer autonomie of zelfs nationale onafhankelijkheid werd in bloed gesmoord. Later zouden bijna alle regeringen in Bagdad hetzelfde doen.

Ook in Iran, waar de Koerden naar verhouding het best geïntegreerd zijn, werden hun opstandige neigingen met het grootst mogelijke geweld in toom gehouden. Alleen in Syrië, waar de Koerden een te kleine minderheid vormen, werd geen oorlog tegen hen gevoerd. In plaats daarvan worden vele tienduizenden Koerden die aan de grenzen met Irak en Turkije wonen, domweg niet als staatsburgers geregistreerd. Levend in smerige sloppenwijken, bestaan zij officieel niet en kunnen dus geen gebruik maken van de door de overheid verstrekte onderwijs- en gezondheidszorg.

In Irak is het Koerdische gebied nu in drie stukken gedeeld: het gebied rond Kirkuk beneden de 36ste breedtegraad onder controle van Saddam Hussein en het de facto in tweeën gehakte gebied boven de 36ste breedtegraad - het zogenaamde Vrij Koerdistan, dat door de geallieerden wordt 'beschermd' - waar de mannen van Masoud Barzani en die van Jalal Talabani voortdurend met elkaar oorlog voeren om de macht en de inkomsten uit de transitohandel en het smokkelverkeer in handen te krijgen.

De bevolking wordt gedwongen partij te kiezen, omdat alleen de krijgsheren, dankzij hun milities, over de schaarse inkomsten beschikken. Wie dicht bij de machthebbers staat, wordt in korte tijd miljonair. Want hij heeft voldoende gewapende manschappen, geld en relaties om medicijnen, sigaretten en alcohol uit het buitenland naar binnen te smokkelen, en die vervolgens met enorme winsten te verkopen. Wie ver van de machthebbers staat, weet dat hij moet kiezen: òf meedoen òf naar het buitenland vluchten.

Zij die het laatste besluiten, zijn ervan overtuigd dat er in West-Europa paradijselijke toestanden heersen. Zij krijgen brieven van hun aldaar wonende vrienden en verwanten, waarin staat dat deze 2.000 gulden per maand verdienen en daarnaast nog eens een verwarmd onderkomen hebben. Ook de uit Turks Anatolië afkomstige Koerden, die zo'n twee gulden per dag verdienen, denken dat zij in West-Europa van al hun zorgen op deze aarde verlost zullen zijn.

De huidige migratiepogingen naar West-Europa uit onder andere Turkije en Irak van duizenden mensen - die bepaald niet allemaal armoezaaiers zijn, maar vaak ook middenstanders - zijn dan ook zeker geen typisch Koerdisch verschijnsel. Maar die enkele reis, waarvoor men een vermogen aan (veelal geleende) dollars moet betalen voor de aanschaf van valse papieren en het omkopen van mafiose figuren, past wel volledig in het niet eindigende Koerdische drama.

West-Europa probeert nu in paniek zijn grenzen te sluiten voor deze ongewenste lieden. Maar die grenzen zullen gatenkaas blijven zolang de Koerden in hun eigen gebieden geen hoop en geen toekomst hebben.