Hij is er, en hij is er niet

William Shakespeare en wij zijn naaste verwanten. Hij is het leven. Over een genie en talloze projecties.

WIE IS ER BANG voor William Shakespeare? Niemand, op het eerste gezicht. Shakespeare is het genie zonder voetstuk, het idool zonder smetvrees. Hij heeft zijn armen wijd gespreid om ons aan zijn borst te kunnen drukken. Zijn toneelstukken vormen geen wereld op zichzelf, subliem klassiek en ongenaakbaar, ze zijn de wereld. Hamlet en Richard III, Julia en Falstaff, Prospero en Macbeth, Puck en Rosalind - ze hebben zich al lang geleden ontworsteld aan de woorden van hun onzichtbare schepper en zich onder de mensen begeven; vaak genoeg lijken ze meer van onszelf dan van Shakespeare. Zo goed ken je ze, dat je het gevoel hebt dat ze jou ook kennen.

En zoals zijn personages niet aarzelen onze wereld binnen te stappen, zo deinzen wij er niet voor terug ons een weg te banen in het werk van de zwaan van Avon. Niks oneerbiedig, heiligschennis geen sprake van; Shakespeare en wij zijn immers naaste verwanten, innige familie. Zijn bloed stroomt in onze aderen.

Shakespeare, zeggen de critici, is niet als het leven. Shakespeare is het leven. Tragisch en komisch, verheven en plat, bloeddorstig en liefdevol, logisch en chaotisch. Blijmoedig zinvol en wanhopig zinloos. Ons leven.

Geen wonder dat niemand reden heeft bang voor hem te zijn. Geen wonder ook dat heel wat mensen zich zo nauw met het werk verbonden voelen dat ze in de schrijver ook zoiets als een familielid willen zien; een beetje jaloers en betuttelend, als iemand die niet moet denken dàt. We kennen de amateurbiografen die zoveel bewondering voor het werk van Shakespeare hebben, dat het volgens hen nooit door Shakespeare geschreven kan zijn. Er wordt al een paar honderd jaar een spelletje met hen gespeeld, en zij hebben dat spelletje door. De verzamelde stukken vormen één reusachtig en hondsmoeilijk cryptogram, waarin de naam van de ware auteur verborgen ligt.

Over de historische Shakespeare, die leefde van 1564 tot 1616, zijn heel wat droge feiten bekend, maar ze willen maar niet tot leven komen. Een huwelijksakte, wat gerechtelijke papieren, een handjevol anekdotes en persoonlijke opmerkingen van collega-toneelschrijvers zoals Ben Jonson - met een beetje moeite kun je er een levensloop uit destilleren, een herkenbaar portret misschien, maar nooit komt er zoiets als een persoonlijkheid uit te voorschijn.

Dat is voor veel Shakespeareanen onverdraaglijk, nog meer dan de wetenschap dat de dichter iemand van betrekkelijk eenvoudige komaf was, en dus volgens hen nooit met zoveel eruditie en kennis van zaken over de menselijke staat had kunnen schrijven. Dus wordt er driftig gezocht naar iemand die wel over een herkenbare persoonlijkheid beschikt, iemand die je als het ware een hand kunt geven: Francis Bacon, koningin Elizabeth I en nog tal van andere kandidaten, die zich aandienen dankzij absurd detectivewerk.

Anderen - de academici, de sociaal bevlogenen, de nivelleerders - zien in Shakespeare niets anders dan een gebalsemd lijk, een mottige Lenin van de Westerse cultuur. In hun ogen is hij het symbool van de mannelijke, blanke hegemonie, door de eeuwen heen aanminnig gekoesterd door nationalisten en kolonialen, ten koste van de rijke verscheidenheid aan anderssoortigen. Of ze zien hem als een bolwerk van cultureel snobisme, bewaakt door een elite die er belang bij heeft Shakespeare heilig te verklaren, zodat er kan worden neergekeken op allerlei andere, minder respectabele of niet-geaccepteerde uitingen van kunstzinnigheid. Shakespeare is een wassen beeld, gestut door racisme en sociale hooghartigheid. Er mag dus naar hartelust tegen hem worden aangeschopt. Hij is toch al dood.

Talloze theaterregisseurs denken daar heel anders over. Shakespeare is helemaal niet dood, hij is springlevend en bevindt zich onder ons. Hij lijkt zelfs een beetje op henzelf. Of eerlijk gezegd, hij lijkt heel erg veel op hen, je zou kunnen zeggen dat Shakespeare in hen is gereïncarneerd, of nog liever, geëvolueerd.

Shakespeare is helemaal van onze tijd, luidt de boodschap, en dus zetten ze een Shakespeare op de planken die niets anders dan onze tijd laat zien, vol actuele verwijzingen en hedendaagse herkenningen. Hamlet is eigenlijk Gorbatsjov, Prospero eigenlijk Ted Turner, Richard III eigenlijk Pol Pot, of Margaret Thatcher, of Marc Dutroux, of een Amsterdamse deelraad. De personages in Shakespeare's toneelstukken zijn eigenlijk niet anders dan handige trefwoorden, verbale kapstokken om onze eigentijdse obsessies en beslommeringen aan op te hangen. Voor zulke regisseurs schuilt het genie van Shakespeare er vooral in dat hij in zijn stukken van vierhonderd jaar geleden al liet zien wat we vandaag in de krant lezen.

Er zijn theatermakers met een blik die verder reikt dan de horizon van de actualiteit; zij ontdekken in de werken van Shakespeare vooral een modern wereldbeeld. Shakespeare is een absurdist, doortrokken van hilarische wanhoop, hij is een schrijver uit de school van la plus nouvelle violence, schepper van claustrofobische drama's waarin het bloed tegen de muren spat. Of nee, hij is veel meer een surrealist, die ons laat zien dat onze werkelijkheid van elastiek is, oneindig rek- en plooibaar. Maar hij is toch ook een icoon van de jeugdcultuur, speels en postmodern als een MTV-clip.

En het wonder is dat Shakespeare het allemaal toelaat. Nooit hoor je hem zuchten of kraken onder de last van onze interpretaties of onze hardhandige betastingen. Die ontzagwekkende kneedbaarheid van Shakespeare, dat duizelingwekkende aanpassingsvermogen aan iedere tijd en plaats, de ontvankelijkheid voor iedere stemming of emotie - is dat allemaal niet toch een beetje beangstigend? Hoe graag we Shakespeare ook onze werkelijkheid willen binnenhalen en hoezeer we er ook van overtuigd zijn dat het ons gelukt is, hij blijft ongrijpbaar, op een bijna griezelige manier. Hij is er, en hij is er niet.

Shakespeare was een acteur, vandaar dat hij nooit op oprechtheid is te betrappen. Hoe kan hij het inktzwarte nihilisme van Macbeths slotmonoloog laten rijmen met de levensbevestigende komedie van The Tempest of A Midsummer Night's Dream? Door welke mond kun je hem horen spreken? Staat hij aan de kant van de tot ongenadige monarch uitgegroeide Henry V of van zijn verraden mentor, de sjoemelende Falstaff? Wereldbeeld schuift over wereldbeeld, ieder standpunt maakt plaats voor het tegenovergestelde, ieder ideaal of emotie wordt gekwalificeerd. Shakespeare is aanwezig, hij voert je met vaste hand door zijn drama's naar de climax, de ontknoping, de katharsis. Je bent gevloerd na Macbeth, gemangeld na Hamlet, weemoedig na The Tempest. Maar waar is de auteur die je al deze gevoelens laat ondergaan? Steeds weer is hij ergens anders.

Wat onrustig maakt, is niet dat Shakespeare ons niets meer te zeggen heeft, maar dat hij ons te veel heeft te zeggen. Houvast in het leven betekent enkelvoudigheid, een omlijnde, hanteerbare identiteit. Een samenleving of cultuur veronderstelt eenduidigheid, een herkenbaar streven naar gemeenschappelijke doelen of idealen. Je wilt weten wie je bent, zoals de biografen willen weten wie Shakespeare is.

Maar in zijn ongrijpbaarheid zet Shakespeare dat alles juist op losse schroeven. Daarom schuilt er achter die annexatiedrift toch een soort angst. Je bent bang voor hem, zoals je bang bent voor het leven zelf. Niets is onwrikbaar in Shakespeare's universum, dat ook het onze is. Je leven is een droomleven, je identiteit is vloeibaar. Onze tragedies zijn komisch, onze komedies tragisch. Je acteert je emoties op een schouwtoneel, je identiteit is een aangeleerde rol, en zelf ben je een toneelspeler met veel of juist heel weinig talent. Wie of wat je bent, wanneer je wordt losgeweekt van de rol die je speelt - daar zul je nooit achterkomen, zoals we ook nooit te weten zullen komen wie Shakespeare was.

Waarom houden we dan zoveel van Shakespeare, terwijl hij ons een en al onzekerheid en wisselvalligheid voorschotelt? Waarom weten we eigenlijk wel zeker dat hij altijd aanwezig zal zijn, alle sombere voorspellingen over ontlezing en ontmanteling van ons cultuurgoed ten spijt?

Omdat Shakespeare doet wat we zelf ook graag willen doen: hij dramatiseert ons leven. Je mag dan wel ronddobberen in een betekenisloos universum, niettemin schuilt er betekenis in de rol die je speelt, in de emoties die het drama oproept - geen eenduidige, onwrikbare betekenis, maar wel betekenis. Vandaar dat Shakespeare altijd zo dichtbij is. Wanneer een stuk van hem wordt opgevoerd, staan we zelf ook altijd op het podium. Als geen ander laat hij je het leven beleven. Zijn schouwtoneel is menselijke ervaring, in al zijn verscheidenheid en tegenstrijdigheid. Niets in ons bestaan heeft een vaste, houdbare vorm. God en de moraal zijn onhandige projecties, maar het rollenspel zelf biedt houvast, de levende illusie van de authentieke emotie.

Shakespeare c'est le drame, riep Victor Hugo eens. En het drama, wist Shakespeare en weten wij door hem, het drama: c'est nous.