Het leger komt alleen langs om drank in te slaan; Kozakken: 'Geef ons de grens terug'

Tientallen jaren mochten de kozakken niet zijn wie ze waren, de vechtjassen van de Russische steppen. Nu mag het weer, en nu eisen ze het recht op, Rusland te verdedigen tegen de bergvolken van de Kaukasus.

STANITSA GALJOEGAJEVSKAJA, 8 JAN. “Welkom in de Kaukasus, het grootste kuuroord van Rusland”, zegt de stewardess. Het vliegtuig uit Moskou taxiet over de landingsbaan van het stadje Mineraalwater. Maar de passagiers - rekruten, officieren, commando's - komen niet om uit te rusten. Met hun rauwe manieren en hun bezwete uniformen verspreiden ze de geur van oorlog.

Door de intercom prijst de stewardess de geneeskrachtige bronnen aan. Ze heeft het over zwavelhoudend water, water dat je lever zuivert, rustgevend water. Bij de woorden 'modderbaden tegen stress' stoten de jongens van de anti-terreurbrigade elkaar aan: “Misschien iets voor onze Tsjetsjenië-veteranen?” De stem van de stewardess zinkt weg in gestommel. “Wij nemen nu afscheid van u, en wensen u een prettig verblijf toe.”

Een prettig verblijf? Een kuuroord? De 20-jarige Volodja is ontroostbaar. Gehurkt op het erf kijkt hij uit over de terrasvlaktes van de Terek. Het land hier is vlak en vruchtbaar en daalt trapsgewijs af, via een hopveld, een moestuin vol paarse kolen en een drassig ooibosje naar de rivier zelf. Aan de overkant begint Tsjetsjenië, dat in de verte de zuidhellingen van de Kaukasus beklimt.

Als zoon van de kozakkenhoofdman gaf Volodja dressuurles aan de jongens van het dorp, totdat alle achttien paarden op een nacht door de Tsjetsjenen werden geroofd. De stalknecht werd gekneveld onder een boom gevonden. Volodja's klasgenote Marina had minder geluk: zij is spoorloos sinds ze in augustus op weg naar de disco door gemaskerde mannen in een kofferbak was geduwd en ontvoerd. “Het dorp leeft op de rand van een zenuwinzinking”, zegt Volodja's moeder. “We zijn allemaal doodsbang.”

Haar man en zoon, die als vrijwilliger hebben gevochten in de oorlog op de andere oever van de Terek, zijn eigentijdse kozakken. Geen verklede mannen met zilveren patroongordels op hun borst, hoeden als theemutsen, rijlaarzen met sporen, een sabel op de heup. Ze houden van paarden, zeker, dat hoort bij hun traditie. Ook zingen ze nog wat hun voorvaderen zongen (“Achter de bergen, nog meer bergen, gehuld in mist, badend in bloed”) met uithalen waar je kippenvel van krijgt.

Vanwege hun verzet tegen de revolutie besloten de bolsjewieken in 1919 tot de uitroeiing van dit vier miljoen leden tellende “huurlingenleger van de tsaar”. Anderhalf miljoen kozakken werden gedood, de rest begroef zijn uniform en identiteit en hield zich gedeisd. Nu de dictatuur van het proletariaat voorbij is, begint de kozakkenmentaliteit opnieuw uit te botten, trots en militaristisch als altijd.

Kozakken zijn geen volk, maar nazaten van weggelopen horigen en landlopers die in de eenzaamheid van de steppe wisten te overleven door hun ijzeren discipline. Cavaleristen die vechten “voor God, vaderland en tsaar”, in ruil voor vrijheid. Nooit te beroerd om pogroms uit te voeren tegen joden in Polen of de Oekraïne. Of recenter: om in Bosnië tegen de moslims te vechten. Of dichter bij huis: om als grenssoldaten van het Russische rijk de bergvolken van de Kaukasus in bedwang te houden.

“Geef ons de grens terug en het zal afgelopen zijn met die aanslagen vanuit Tsjetsjenië”, zegt de 48-jarige Nikolaj Litvinov. Hij is de ataman (kozakkenleider) van Boedjonnovsk, een getraumatiseerd stadje sinds een Tsjetsjeens commando daar in de zomer van 1996 meer dan tweeduizend mensen gegijzeld hield in het lokale ziekenhuis. Met zijn brede kop en armen als boomstammen lijkt Litvinov op een worstelzwaargewicht. Voor een rondleiding langs de stanitsi (door kozakken bewaakte voorposten langs de grens) vraagt hij een tank benzine plus tien dollar per uur. “Beschermingsgeld.”

Rijdend door een glooiend landschap vol sov- en kolchozen, in een Lada-jeep met een kogelgat in de voorruit, worden langzaam de contouren zichtbaar van het kozakkennetwerk dat parallel aan het bestaande gezag ontstaat. Een groep honderdmannen (die het bevel voeren over lokale eenheden van de vojska, het kozakkenleger) verzamelen zich op een plein in het plaatsje Novopavlovsk, dat vandaag de status van stanitsa krijgt. “Slava!” roepen ze. “Leve Rusland.” Eregast is de 75-jarige Nikolaj Doetkin, een kozak die uit Tsjetsjenië is verdreven. Hij heeft een krulsnor en een borst vol medailles: links de Lenin-koppen die hij in de Tweede Wereldoorlog heeft vergaard, rechts de beeltenis van de laatste tsaar. “Wij Russen zijn slimmer dan de Chinezen”, zegt hij. “In plaats van een muur van duizenden kilometers te bouwen hebben wij een linie van voorposten opgezet aan de voet van de Kaukasus.”

In 1992 verleende president Jeltsin de kozakken eerherstel, en om stemmen te winnen stelde hij hun bij de verkiezingen in 1996 een nieuwe rol als grensbewakers in het vooruitzicht. Maar aan het optuigen van een leger-naast-het-leger kleven ook in Rusland veel bezwaren. Schietoefeningen krijgen de kozakken gratis op de landmachtbases. Sinds een jaar mogen ze meelopen met grenspatrouilles. Ze mogen weer vergaderen, zingen, paardrijden en elkaar medailles opspelden. Maar ze mogen geen wapens dragen. “Wij willen een mandaat om in de Kaukasus dezelfde rol te vervullen als het VN-leger in Bosnië”, zegt de ataman van Novopavlovsk. “Kozakken zijn vredessoldaten. Als we de middelen krijgen kunnen we de bergvolken pacificeren.”

Ataman Litvinov wil ook de wegcontrole in handen krijgen. Want hoe is het mogelijk dat Tsjetsjeense bendes keer op keer op Russisch grondgebied kunnen toeslaan? In december overvielen ze met honderd man tegelijk een tankbasis tachtig kilometer buiten hun afgescheiden republiek. Het commando dat Boedjonnovsk overviel kon ongestoord honderd kilometer door Russisch gebied trekken. “Zelfs de anti-terreurbrigade is bang en corrupt”, zegt Litvinov. “Ze pakken geld aan en kijken de andere kant uit.”

De ataman, die vroeger voor de KGB werkte, vindt dat de kozakken ook strafexpedities moeten uitvoeren. Hij neemt de route die het Tsjetsjeense roverskonvooi anderhalf jaar geleden ook nam, maar dan in tegengestelde richting. Hoe dichter bij de grens, hoe imposanter de checkpoints. Bij het dorp Koerskaja staat een slagboom tussen twee containers. Vijf kilometer verderop: een betonnen bunker, geflankeerd door twee geschutskoepels van staalplaat. Dan: een fort van rioolbuizen, bedolven onder camouflagenetten en bemand door nerveuze soldaten met walkie-talkies. Links trekt de zwaar bewaakte luchtmachtbasis Mozdok voorbij, vanwaar in 1995 en 1996 de MiG's opstegen om Grozny te bombarderen. “Verkijk je niet”, zegt Litvinov. “De militairen beschermen alleen zichzelf. Op de binnenwegen en in de bossen durven ze 's nachts niet te patrouilleren.”

Voorbij de spoorlijn die vroeger doorliep naar Grozny neemt de dichtheid aan wegblokkades ineens af. Op de oever van de Terek liggen eeuwenoude dorpen - onbeschermd. Een wit orthodox kruis markeert de toegangsweg naar de Stanitsa Honderd Bomen. Even verderop ligt de verst vooruitgeschoven post: Stanitsa Galjoegajevskaja. Het dorp van Volodja, de paardenjongen zonder paarden. Zijn vader heeft een nachtwacht ingesteld. In De Steppenfakkel, het krantje van de Terek-kozakken, heeft hij de laksheid van de veiligheidstroepen aan de kaak gesteld. “Wij eisen van de autoriteiten dat zij de Tsjetsjeense rovers aanpakken en zorgen dat wij het volgende terugkrijgen: 1) de gele tractor van het merk Kirovitsj, 2) de achttien rijpaarden, 3) Marina Asjlakova, studente aan het Polytechnisch Instituut.”

Een reactie bleef uit. Pas toen de kozakken van Galjoegajevskaja in november hun eigen, illegale wegversperring opwierpen en zelfs jeeps van het leger wilden doorzoeken, was de gouverneur van de regio op bezoek gekomen. Een week later kwam er een foerier van het leger de bestelling opnemen: hoeveel uniformen, koppels, kistjes en laarzen had de ataman nodig voor zijn burgerwacht?

Al in het najaar heeft de verantwoordelijke minister in Moskou aangekondigd een cordon sanitaire rond Tsjetsjenië te leggen van mijnenvelden, rollen prikkeldraad en 1500 zwaarbewapende militairen. Maar niemand die daarin vertrouwen heeft. “De soldaten komen alleen in ons dorp om drank in te slaan”, merkt Volodja op. Het klinkt gek, zegt hij, maar hij heeft meer respect voor de jongens van het buurdorp. Tsjetsjenen. Nog steeds vissen ze samen in de Terek. Op het rivierstrand ligt een platte boot, die voor de oorlog als pontje dienst deed. Elk voorjaar bij de paardenraces komt de schuit weer in de vaart, want oorlog of geen oorlog, de traditionele wedstrijd tussen de twee grensdorpen is altijd nog doorgegaan. Alleen is Volodja nu zijn paarden kwijt.