Erven claimen joods bezit; Douane VS legt beslag op doeken Schiele

WENEN, 8 JAN. De New-Yorkse douane heeft vannacht op verzoek van de Amerikaanse nazaten van Oostenrijkse joden beslag gelegd op twee doeken van de Oostenrijkse schilder Egon Schiele (1890-1918).

De schilderijen uit de verzameling van de 72-jarige, Weense oogarts Rudolf Leonard, waren, na een tentoonstelling in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York, op weg naar de volgende expositie in Barcelona. Aanvankelijk werd in opdracht van de Amerikaanse senator Alfonse d'Amato, nauwbetrokken bij de kwestie van het nazi-goud in Zwitserland, op de hele, tentoongestelde collectie beslag gelegd.

Het MoMA heeft verontwaardigd gereageerd: “Wij zijn contractueel gebonden geleende schilderijen terug te geven. Wie zal ons in de toekomst nog kunstwerken lenen als wij niet kunnen garanderen dat we ze ook teruggeven?”, aldus een woordvoerder van het museum.

Ook Klaus-Albrecht Schröder, directeur van het op te richten Leopold staatsmuseum in Wenen, heeft vanmorgen in een radio-interview de actie veroordeeld. Hij zei dat de handelswijze van de Amerikaanse autoriteiten de relatie tussen de Verenigde Staten en Oostenrijk niet ten goede zal komen.

Eind december maakten de Amerikaanse erven via de New York Times bekend beide schilderijen, die samen met de duizenden andere werken in 1994 door de Oostenrijkse staat van Leonard zijn gekocht, op te eisen. Het doek Wally (1912), een portret van Schiele's vriendin Valerie Neuzil, wordt geclaimd door de Amerikaan Henri Bondi, Tote Stadt (1911) door Kathleen en Rita Reif.

Volgens Henri Bondi was Wally eigendom van Leo Bondi-Jaray, een Weense galeriehoudster die het schilderij voor haar vlucht naar London aan de nazi Friedrich Welz verkocht, de man die later ook haar galerie 'ariseerde'. Van het tweede doek, de Tote Stadt, is tot nu toe alleen bekend dat Rudolf Leopold, de ambitieuze verzamelaar van Schiele's werk, het in het begin van de jaren zestig van de kunsthandelaar Otto Kallir in New York heeft aangekocht.

Sinds de vermeende erfgenamen de publiciteit hebben gezocht, staan niet alleen de eigendomsrechten van de kunstwerken ter discussie, maar ook de morele verplichtingen die een museum aangaat als het een collectie toont. 'Moet een museum controleren hoe de eigenaar van een verzameling aan zijn bezit is gekomen?' vroeg de New York Times zich op 24 december jongstleden af. 'Dat doen we bij onbekende collecties altijd', liet het MoMA weten, maar Leopold noch zijn verzameling is onbekend.

Nog steeds is onduidelijk waarop de claims zijn gebaseerd. En het is eveneens onduidelijk waarom New York Times-columniste Rita Reif weigert de rechter in te schakelen, hoewel ze zegt over veertien documenten te beschikken die bewijzen dat zij de rechtmatige erfgenaam is van Fritz Grünbaum, een in Dachau vermoorde joodse cabaretier en eigenaar van de Tote Stadt.

Rita Reif reageerde woedend toen het MoMA erop aandrong justitie bij de zaak te betrekken. “Wij zullen de druk opvoeren, het museum verschuilt zich achter zijn contractuele verplichtingen en zegt dat we de rechter moeten laten beslissen, maar dat is niet genoeg. Het MoMA moet een moreel standpunt innemen”, aldus Reif. Zowel Reif als Bondi heeft inmiddels de Duitse historicus en advocaat Willi Korte ingeschakeld, die als specialist in 'Beutekunst' naam heeft gemaakt.

Vanaf het moment dat er beschuldigingen werden geuit, heeft het Oostenrijkse staatsmuseum Belvedere verklaard Wally in december 1950 van de erven van Heinrich Rieger te hebben gekocht. “Wij hebben alle papieren in huis”, verklaarde directeur Gerbert Frodl; “en dat hebben we ook aan de journaliste van de New York Times verteld. Maar ze nam er geen genoegen mee. We bleven herhalen dat het schilderij van de familie Rieger afkomstig is en dat wij dat ook kunnen bewijzen. Toen smeet ze de hoorn erop”.

Onopgehelderd is hoe het schilderij in bezit van de familie Rieger kwam. De tandarts Heinrich Rieger was een bekende joodse kunstverzamelaar. Hij werd in Theresienstadt vermoord, zijn vrouw in Auschwitz. Zoon Robert kreeg de door de nazi's gestolen collectie Rieger na de oorlog terug. Zes jaar later verkocht hij elf schilderijen, waaronder de nu geclaimde Wally, aan het Belvedere in Wenen. De transactie werd door het advocatenkantoor Christian Broda afgewikkeld. En Broda, een vroegere communist en onder Bruno Kreisky minister van justitie, stond bekend om zijn zorgvuldige omgang met nazi-roofgoed.

Robert Rieger (82) heeft nu verklaard dat Wally nooit tot de collectie Rieger behoorde. Op deze uitspraak is de claim van Henry Bondi, een neef van de in 1969 overleden Weense galeriehoudster, gebaseerd. Ook de achtergrond van Tote Stadt roept vragen op. Hoe kwam de net als Bondi-Jaray uit Wenen gevluchte joodse kunsthandelaar Kallir aan nazi-roofgoed in New York? En wat wist hij van de vorige eigenaar?