De Marez Oyens gelooft niet in band beurs-drugs

Gerrit de Marez Oyens was algemeen secretaris van het Amsterdamse beursbestuur in de tijd dat Han Vermeulen en Adri S., hoofdverdachten in de fraudezaak, zich ontwikkelden tot grote effectenhandelaars. Hoe denkt hij over het onderzoek van het Openbaar Ministerie?

PARIJS, 8 JAN. De taal is geen punt voor Gerrit de Marez Oyens, als jongetje had hij een Franse gouvernante. Voor de lunch, in restaurant Le relais du parc, bestelt hij geroutineerd oeufs pochées en filet de boeuf en informeert hij naar de gezondheid van het bedienend personeel. Sinds zeven jaar is hij algemeen secretaris van de FIBV (Fédération Internationale des Bourses de Valeurs), de belangenorganisatie van effectenbeurzen van over de hele wereld.

Het kantoor zit aan de Boulevard de Courcelles, een halfuur lopen van de Arc de Triomphe, Parijs. Van 1975 tot 1990 werkte De Marez Oyens bij (toen nog) het bestuur van de Vereniging voor de Effectenhandel in Amsterdam, vanaf 1981 als algemeen secretaris. Daarvóór werkte hij bij het familiebedrijf Oyens en Van Eeghen, handelaars in effecten sinds 1795, nu onderdeel van de Generale Bank. Het eerste woordje dat hij kon uitbrengen, vertelt hij, was niet 'mama' maar 'aandeel' - dat beweerde zijn vader tenminste toen die nog leefde. De Marez Oyens wil maar zeggen dat de hartstocht voor het effectenvak hem bij zijn geboorte is meegegeven. “Een goed functionerende beurs is de motor van de economie, de beste verdeler van inkomen en vermogen”, zegt hij. Aan de snelheid waarmee die woorden zijn mond verlaten hoor je dat hij ze vaker gebruikt.

Die vijftien jaren dat hij in Amsterdam zat - dat is de reden om met De Marez Oyens te praten. Het waren de jaren waarin effectenhandelaars als Han Vermeulen en Adri S., nu hoofdverdachten in de beursfraudezaak, rijk en beroemd werden. (In eigen kring dan.) Het viel toen onder zijn verantwoordelijkheid om de handel op de beurs in het gareel te houden: geen omkoping, geen misbruik van voorkennis. “Controleerde je ze te veel, dan maakte je de handel dood. Deed je het te weinig, dan kreeg je olifanten in een porceleinkast.” Zo beschrijft hij het dilemma waar hij zich in die tijd voor zag geplaatst.

De representant van de oude elite die namens het beursbestuur nieuwkomers uit Amsterdam-Noord en andere volksbuurten, vaak jongens van de straat, op de huid moest zitten. Maar hij had er geen problemen mee, zegt hij. Hij leerde snel hoe hij de ene dag met handelaars in De drie fleschjes een borrel dronk en ze de volgende dag toesprak omdat hun clearingslips niet in orde waren. De Marez Oyens organiseerde de jaarlijkse ski-toernooien waaraan eerst zes, later dertig effectenbeurzen uit heel Europa meededen. “De enige die last had kunnen hebben van rolverwarring was ik zelf”, zegt hij. “En ik had er geen last van.”

Hij leest Nederlandse kranten, kijkt bijna iedere dag op Internet. Hij weet wie gisteren is gearresteerd en welke coderekeningen eergisteren werden gekraakt. Maar een verband tussen het onderzoek van Justitie nu en de dagelijkse praktijk op het Damrak in zijn tijd ziet hij niet, of wil hij niet zien. De beursfraudezaak gáát niet over de beurs, zegt hij. Die gaat over belastingontduiking en het legaliseren van crimineel geld. Hij gelooft er “geen steek van” dat mensen als Han Vermeulen en Adri S. zich zouden hebben ingelaten met drugsdealers. Daar kende hij ze te goed voor, zegt hij. “Een man een man, een woord een woord - zo waren ze.”

Is dat niet een beetje naïef?

“Nou ja, het kan zijn dat Openbaar Ministerie een drugssyndicaat op het spoor is. Maar dan vraag ik me af: heeft de officier nu de actoren te pakken of alleen de pionnen?”

Misschien zijn effectenhandelaars zonder dat ze het wisten misbruikt, bedoelt hij. Maar zelfs dat gelooft hij niet echt. “Waarom”, vraagt hij zich af, “zou een drugssyndicaat een land als Nederland uitkiezen om geld wit te wassen? Alles ligt onder de loep van De Nederlandsche Bank en de Stichting Toezicht Effectenverkeer. Iedere storting van vijfentwintigduizend gulden of meer moet worden gemeld. Er zijn genoeg plaatsen in de wereld te bedenken waar het allemaal veel gemakkelijker gaat.”

Verbetering van de belastingmoraal - dat is volgens De Marez Oyens het doel van het onderzoek van Openbaar Ministerie. (Dit hoor je van ongeveer iedereen die je er op de beurs of bij effectenhuizen naar vraagt. Wishful thinking?) De Marez Oyens maakt zich er kwaad over dat de officier zulke harde middelen gebruikt. “Mensen vastzetten, ze behandelen als misdadigers - het gaat erg ver. Ik zou zeggen: laat de fiscus het met hen regelen.”

Hij vindt dat de officier van justitie op een muis schiet met een kanon. Hij zegt hetzelfde als Hans Brouwer, één van de directeuren van Amsterdam Exchanges: vroeger zaten op de beurs hoeklieden en handelaars boven op elkaar, de onderlinge controle was streng en onverbiddelijk. “Ik zei tegen de jongens: je bent eerlijk, en als blijkt dat je het niet bent, wegwezen”, zegt De Marez Oyens. “Je kon de norm handhaven omdat die gezamenlijk werd beleefd.”

Dat veranderde toen in de jaren tachtig effectenkantoren en banken naar de rand van de stad verhuisden en hun orders elektronisch gingen doorgeven. Het veranderde ook, zegt De Marez Oyens, door de nieuwkomers. Hij praat met waardering over hen: “Ze vochten zich binnen in de closed circle van de oude commissionairshuizen en klanten. Dat lukt je alleen als je heel professioneel bent en een goed verhaal hebt.”

Of door mensen te kopen.

“Waar ligt de grens? Bij het geven van korting op de commissie? Als dat transparant gebeurt, is dat geen probleem. Maar je klanten een reisje aanbieden met Kerstmis, dat kan niet. Volstrekt duidelijk.”

Adri S. gebruikte vooral zijn stem om klanten voor zich te winnen, zegt De Marez Oyens. “Hij sprak luid en straalde trots uit.” En Han Vermeulen? “Niets menselijks, of laat ik zeggen mannelijks, was hem vreemd. Ik zou het hem niet hebben aangeraden om klanten mee te nemen naar Yab Yum.”

De Marez Oyens, voorzichtig, beschuldigt niemand ergens van. Maar hij pleit ook niemand vrij. “De nieuwkomers in de effectenhandel probeerden alles uit. Ze keken precies waar ze het marktmechanisme in hun voordeel konden aanwenden en hoever ze konden gaan.”

Ondertussen, zegt hij, werd de druk op handelaars om een goede performance te leveren steeds groter. “Klanten geven je geen opdrachten meer omdat je een relatie met hen hebt. Ze zeggen: laat maar eens zien wat je kunt.”

De handel is de laatste tien jaar harder geworden, zegt De Marez Oyens. “Commerciëler, anoniemer. En dan krijg je het klassieke patroon. Door de grotere anonimiteit worden de normen strenger. Dus moeten de regels worden aangescherpt. Dat gebeurt áltijd te laat. En dan roept iedereen opeens: ohemelsegoedheid, dit loopt verkeerd af.”

Maar repressie is volgens hem het verkeerde antwoord. Hij had het beter gevonden als niet de officier van justitie, maar de minister van Financiën nu het voortouw had genomen. Die had eerst maar eens een discussienota naar de Tweede Kamer moeten sturen over ethiek in de financiële sector. Ja, dat had tijd gekost. “Maar dat is minder erg dan de schade die we nu hebben.”