De bede en de rede

De afgelopen maand is veelvuldig herdacht dat het tien jaar geleden was dat PvdA-leider Den Uyl overleed. De komende maanden zal ongetwijfeld regelmatig worden stil gestaan bij het feit dat 25 jaar geleden het eerste na-oorlogse progressieve kabinet onder leiding van diezelfde Den Uyl aantrad. In zekere zin is bij de eerste herdenking al heel veel op de tweede vooruitgelopen. Het maakte nog eens duidelijk dat naarmate de tijd verstrijkt de persoon Den Uyl steeds meer synoniem wordt voor het kabinet-Den Uyl.

“Illusies van Den Uyl?”, heet het congres dat de Katholieke Universiteit Nijmegen volgende week organiseert. Behalve de 'stijl' van Den Uyl zijn het de voorgenomen herverdeling van kennis, macht en inkomen die dan zullen worden besproken. Het zijn inderdaad dè onderwerpen waarmee dat kabinet kan worden geafficheerd. En er waren natuurlijk de zaken die het kabinet overkwam: de oliecrisis, de diverse gijzelingsdrama's en niet te vergeten de Lockheed-kwestie waardoor de monarchie in opspraak kwam.

In al dat geweld dreigt één andere zaak enigszins in de vergetelheid te raken. Het gaat om de bede in de troonrede waaraan het kabinet-Den Uyl rigoreus een eind maakte. De jaarlijkse troonrede werd niet langer afgesloten met de woorden 'met de bede dat Gods zegen op uw werk moge rusten', maar met een veel neutraler tekst waarin “de hoop” werd uitgesproken “dat wij daartoe de kracht mogen ontvangen”.

Het land was even te klein na deze ingreep in een lange traditie. Vooral in confessionele kring heerste grote bitterheid. “Waar zo het evangelie wordt verdrongen, wint de revolutie”, stelde het gereformeerde Nederlands Dagblad in een commentaar. Met het schrappen van de bede was de ware aard van het kabinet- Den Uyl naar boven gekomen, zo leek de stemming niet alleen in christelijke kring, maar ook bij grote delen van behoudend Nederland. Zo besteedde Elseviers Magazine, toen spreekbuis van die groep, eveneens een snerpend commentaar aan de zaak.

De opschudding, die ook Den Uyl zoals hij zelf toegaf had verrast, bleef overigens zonder resultaat. De bede kwam pas weer terug - in omfloerste vorm - nadat Den Uyl ruim vier jaar later in het Catshuis was vervangen door de christen-democraat Van Agt. Zijn kabinet koos voor een compromisformulering: een tekst waarin voorstanders een bede konden horen, maar tegenstanders dat niet per se hoefden. Pas bij het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers keerde de bede onverbloemd terug en manifesteerde het no nonsense karakter van dat kabinet zich ook op dat punt. Geen multi-interpretabele teksten meer. “Van harte wens ik u toe dat Gods zegen op uw werk rust”, zei koningin Beatrix in de troonrde van 1983.

Het gestoei met de bede wordt zeer uitvoerig beschreven in de geheel aan dit onderwerp gewijde doctoraal-scriptie waarmee Mirjam Rothfusz vorige maand haar studie politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit afsloot. In dit werkstuk analyseert zij de gang van zaken rond de slotpassage in de troonrede van 1814 tot nu. De studie geeft een even boeiend als gedetailleerd overzicht van de commotie die de bede nu al sinds vorige eeuw bij vlagen weet te veroorzaken. Want de actie van Den Uyl in 1973 blijkt verre van uniek. Zo was er in 1869 in het geheel geen sprake van een bede of een alternatieve formulering. Eerste man, minister Van den Bosse die hierop in de Tweede Kamer werd aangesproken zei dat er sprake was geweest van een noodlottige vergissing, omdat in de ontwerptekst wel degelijk iets dergelijks had gestaan. Over deze verontschuldiging was de liberaal Van Houten nu weer op zijn beurt in het geheel niet te spreken. Hij vond het juist zeer toe te juichen dat een bede ontbrak en betreurde het dan ook dat men van regeringszijde van een “noodlottige vergissing” had gewaagd.

De discussie die het kabinet-Den Uyl met het weglaten van de bede opriep was dus eigenlijk een oude, maar wel intenser. In haar scriptie onthult Rothfusz dat het destijds onderwijsminister Van Kemenade was die in de ministerraad het voorstel deed om van de traditionele structuur van de troonrede af te stappen. Volgens minister Pronk, toen ook al van ontwikkelingssamenwerking, zou een eenvoudige zin moeten worden ontworpen waaruit “bezieling” sprak. Maar ook de confessionele minister van Binnenlandse Zaken De Gaay Fortman benadrukte in die bewuste ministerraadsvergadering dat de troonrede geen “moralistisch karakter” diende te hebben.

Dit laatste is opmerkelijk, omdat De Gaay Fortman in 1996 in de over hem verschenen biografie van Willem Breedveld en John Jansen van Galen een heel andere lezing geeft van de kwestie. De toenmalige koningin Juliana heeft destijds tegen De Gaay Fortman gezegd dat hij het voornemen om de bede te schrappen had behoren tegen te houden en dat zij er in ieder geval in gekend had moeten worden. De Gaay Fortman stelt in zijn biografie dat Juliana gelijk had. “Het is een traditie die kenmerkend is voor het land en die gezien onze historie ook werkelijk een zekere betekenis heeft.”

Dat is ook de conclusie van Rothfusz. Zij meent dat niet lichtvaardig moet worden omgesprongen met het “betekenisvolle ritueel” van Prinsjesdag. De koning representeert nu eenmaal de staatseenheid en de nationale eenheid, hoe pluriform het karakter van de samenleving dan ook mag zijn. Ministers komen en gaan, maar de koning symboliseert een continuïteit. Symbool en functie komen in de troonrede samen. Vandaar dat zij het ook een vanzelfsprekendheid vindt dat de koning de troonrede uitspreekt en niet de minister-president. Evenwichtspolitiek is in Nederland het instrument om de eenheid te bewaren en van die eenheid is de koning het symbool.

Vandaar het belang van de slotpassage. Deze moet recht doen aan de pluriformiteit en dus niet te politiek geladen zijn. De vraag is natuurlijk of het verzoeken om Gods bijstand niet ook een politieke keuze is. Den Uyl zag dat duidelijk wel zo. De keuze van zijn kabinet om de bede weg te laten was, zo zei hij indertijd zelf, er een geweest “omwille van de zuiverheid zowel van het christelijk geloof als van de politiek”.

Voor iemand als Kok ligt dat blijkbaar anders. De slotzinnen uit de troonredes van 'paars' hebben veel weg van de verzoenende teksten waarvan premier Van Agt zich in 'zijn' troonredes bediende. Iedereen kan er het zijne uit halen. Of, zoals VVD-fractievoorzitter Bolkestein na de eerste paarse troonrede opmerkte, het is een tekst waaraan niemand zich zal storen.

Dat is de echte waarde van de zo veel besproken laatste zinnen van de troonrede. Zij weerspiegelen het op dat moment heersende politieke klimaat in al zijn subtiliteit misschien nog wel het allerbeste. Wie sleutelt aan de bede, sleutelt pas echt aan het land.