Apencentrum

Met toenemende ergenis heb ik het artikel over het apencentrum BPRC gelezen (18 december). Mijn ergenis betreft met name de eenzijdige voorlichting over de noodzaak van het voortbestaan van dit centrum en over de toename van het onderzoek met apen in de toekomst. Alleen de medewerkers van het onderzoekscentrum komen aan het woord.

Kritiekloos wordt het onderzoek met apen gepromoot. Letterlijk staat in het artikel dat het apengebruik in de toekomst zal toenemen. Terwijl de Europese overheid, industrie, wetenschappers en dierenbelangenorganisaties consensus hebben dat het apenonderzoek kan en moet worden afgebouwd.

Het hele artikel is in feite een beklag over de slechte financiële situatie van het apencentrum ten opzichte van andere Europese instituten. Volstrekt onterecht, zo blijkt na een rekensom. Het ministerie van OCenW subsidieert het apencentrum jaarlijks met een bedrag van 4,6 miljoen gulden, dat maakt 23 miljoen in vijf jaar. Dit is maar liefst 6,5 miljoen meer dan de Duitse overheid bijdraagt aan het apencentrum Göttingen.

In zijn ijver om de slechte financiële situatie van het BPRC onder de aandacht te brengen draait onderdirecteur Bontrop van het BPRC, de feiten om. De grote sommen geld die Europese overheden moeten bijleggen voor instandhouding van hun nationale apen-onderzoekscentra, legt Bontrop uit als bewijs voor het toenemende belang van dit onderzoek. Maar in werkelijkheid is de afnemende belangstelling voor apenonderzoek de reden voor de slechte financiële situatie van apen-onderzoekscentra in Europa.