Affaire-Lancée was debacle OM Groningen

Professionaliteit was ver te zoeken bij het onderzoek van justitie in Groningen naar de zogenoemde affaire-Lancée, zo oordeelde minister Sorgdrager vorig jaar. De ex-politiechef van Schiermonnikoog is nu in onderhandeling met justitie over schadevergoeding.

GRONINGEN, 8 JAN. Anderhalf jaar lang heeft het openbaar ministerie in Groningen volgehouden dat er in de affaire-Lancée geen belangrijke fouten waren gemaakt. Pas in oktober vorig jaar kwam de eerste boetedoening. In een gezamenlijke verklaring met de valselijk van incest beschuldigde oud-politiechef van Schiermonnikoog verklaarde het OM dat “beslissingen zijn genomen die achteraf als fouten en onvolkomenheden moeten worden aangemerkt”.

Het OM in Groningen had zich tot dan toe onder aanvoering van plaatsvervangend hoofdofficier M. van Capelle fel verdedigd. Van Capelle paste er voor om als “suffe geit in de hoek te worden gezet”. Als er fouten waren gemaakt, dan was dat gedaan door agenten en rechercheurs van de politie, aldus justitie. Die beschuldiging heeft het afgelopen jaar de verhouding tussen politie en justitie in Groningen getekend.

De affaire-Lancée ontspon zich in april 1996. De toen zeventienjarige dochter Bianca had de mentor van het Zernike College in Groningen verteld dat haar vader haar seksueel had misbruikt. De mentor haalde haar over naar de politie te stappen. Die nam haar verhaal serieus. Omdat de beschuldiging een politiefunctionaris betrof, werd de rijksrecherche er bij betrokken. Rijksrechereur R. Koster verhoorde daarop Bianca urenlang. Daarbij was aanwezig de toen al in Leeuwarden werkzame officier van justitie P. Dorhout, die in de oudercommissie van het Zernike College zat. Later bleek dat er een onvoldoende open vraagstelling was gehanteerd en dat de labiele Bianca woorden in de mond waren gelegd.

Koster leek bovendien niet geheel onafhankelijk, omdat hij al eens eerder onderzoek had gedaan naar Lancée. Dat was in de affaire rond wethouder Brands van Schiermonnikoog. Lancée schakelde de rijksrecherche in omdat er geruchten waren dat Brands 's nachts bij vrouwen naar binnen sloop. Lancée werd zelf onderwerp van onderzoek, omdat hij die geruchten zou hebben verspreid. Daar bleek geen bewijs voor.

Justitie besloot op basis van de beschuldigingen van de dochter politiechef Lancée op te pakken. In de nacht van 26 of 27 april 1996 vloog een arrestatieteam met een helikopter naar Schiermonnikoog en arresteerde hem met veel machtsvertoon. Lancée zat twaalf dagen vast. In de zomer volgde verder onderzoek naar de zaak, maar bewijs voor incest bleek er niet te zijn. Eind augustus biechtte Bianca op dat ze alles had verzonnen.

Justitie in Groningen seponeerde de zaak en kreeg snel forse kritiek te verduren. De Tweede Kamer bewoog minister Sorgdrager (Justitie) in oktober 1996 een onderzoek naar de affaire-Lancée te doen. In maart 1997 gaf ze haar oordeel, vooral op basis van de informatie die ze van het OM in Groningen had gekregen. Ze schreef dat ondanks tekortkomingen het optreden niet onverantwoord was geweest. De Tweede Kamer nam met het milde oordeel geen genoegen. Vervolgens gaf Sorgdrager eind augustus toe dat er forse fouten waren gemaakt. Politie en justitie hadden zich volgens haar emotioneel te veel op sleeptouw laten nemen en te weinig afstand genomen. Er was op verschillende momenten sprake van “onvoldoende professioneel optreden”.

Omdat de verhoudingen tussen politie, justitie en rijksrecherche door de zaak danig verstoord waren, zegde Sorgdrager in een debat in de Tweede Kamer toe een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de situatie in Groningen. Dat rapport lekte dinsdag uit.