Welterusten, worst!

Schrijvers houden over het algemeen meer van katten dan van honden, maar hoe staan zij tegenover het varken? De recente massale slachtpartij onder de Nederlandse varkens bracht zelfs een teruggetrokken levend auteur als J.J. Voskuil ertoe de publiciteit te zoeken en, met de algehele dierenvriend Koos van Zomeren, de stichting Varkens in Nood op te richten.

Rudy Kousbroek getuigde al ruim voor de varkenspest spontaan van zijn sympathie voor het roze dier met de vertederende snuit en staart, maar hij was zeker niet de eerste.

Zeventig jaar geleden wijdde de Nederlands-Indische schrijver en journalist Willem Walraven (1887-1943) een van zijn bespiegelingen aan de verzorgde vormgeving van het varken. 'De lijnen van een varken (ik bedoel een werkelijk vet varken), behoren tot de meest schoone en weelderige lijnen uit het dierenrijk. Het varken heeft dezelfde vlugge, natuurlijke en toch massieve vormen als stroomend water, dat van een heuvel rolt, of als de witte wolkjes aan de lucht. Vergeleken bij een varken is een paard een houterig, hoekig en onregelmatig gevormd dier', ('Bespiegelingen XXV' in De Indische Courant, 5 maart 1927).

Walraven herinnerde zich hoe het varken bij de inwoners van zijn geboortedorp Dirksland (Goeree-Overflakkee) een deel van het gezin vormde. Elk voorjaar kwam daar, vanuit een plaats in de Betuwe, een biggenkoopman in een lange blauwkatoenen kiel onder een 'enigszins jeneverachtig hoofd' en voorzien van een knallende zweep. 'Voor zich uit dreef hij een twintig- of dertigtal jonge biggetjes, die met een zachte aanraking van de zweep in bedwang en in aaneengesloten groep werden gehouden. En vóór het avond was, had de biggenkoopman zijn levende koopwaar gewoonlijk al verkocht, want er was bijna niemand op het dorp, die niet een big kocht en dit gedurende den zomer opfokte om in de maand November het dan volwassen varken te kunnen slachten en zodoende voor den winter voorzien te zijn van het noodige dierlijke voedsel'.

Op een laag terrein in het dorp stond een groot aantal hokken die in het seizoen alle bewoond waren. De dieren werden met zorg gevoederd, soms zelf driemaal per dag, want de (goede) eetlust van het varken was voor elke familie een bron van voortdurende zorg. De dorpsbewoners verzamelden zich dagelijks rond de hokken om de dieren van alle kanten te bekijken, te betasten en te strelen. Dat laatste gebeurde uitsluitend om het varken op zijn gemak te stellen en de eigenaars lieten er op zondagmorgen vaak de preek voor lopen.

Zelfs in geslachte vorm bood het varken in menig huis een vertrouwde aanblik. Walravens buurjongen keek, voor hij naar bed ging, steevast naar de zolder van het ruime woonvertrek waar de hammen en worsten waren opgehangen en zei: “Dag vader, dag moeder, dag spek, dag worst, welterusten!”

Ook de vader van Walraven, die kruidenier was en behept met de bijbehorende mentaliteit, fokte jaarlijks enkele varkens. Hij gaf ze maïspap waarvan ze al spoedig moddervet werden.

Wanneer in het najaar de slagers aan de deur kwamen om de dieren weg te halen, stelde hij het moment van afscheid telkens uit. De varkens konden immers nóg zwaarder worden en nóg meer opbrengen. Uiteindelijk greep de moeder van Walraven in, maar één varken bleef echter voor eigen gebruik. Het dier was inmiddels te vet voor gewone consumptie: moeder gaf een groot deel van het vlees weg en vader kreeg varkenslapjes van de slager voorgezet, terwijl hij in de veronderstelling verkeerde dat hij van zijn eigen 'wondervarken' genoot.

Walraven waardeerde het varken vooral om 'zijn volmaakte rondingen'. Dat hoeft geen verbazing te wekken bij een schrijver die graag de spot dreef met zijn eigen omvang. 'Welgedaanheid, dikheid, is een waardevolle eigenschap. Het vervult den aanschouwer met een soort van vredige bewondering en het maakt den bezitter ervan gemoedelijk en bescheiden. Precies als bij het varken.'

Vandaar dat hij pleit voor het houden van varkens als huisdieren. 'Waarom zouden wij ons niet gaan toeleggen op het fokken van rasvarkens, zooals sommigen van ons zich toeleggen op het fokken van honden?' Het zou toch goed mogelijk zijn dat er een 'fokkunstenaar' opstaat die een varken met krullend haar kweekt naar het voorbeeld van de Franse poedel. Wie wil er geen herdersvarken of een schootvarken in huis?

Maar de gedachte dat het huisvarken bij Walraven een lang leven tegemoet zou zijn gegaan, is weinig realistisch. Daarvoor hield de schrijver te veel van rollades en worsten. Zijn kwaliteiten als worstroker waren dusdanig dat zelfs zijn Soendanese vrouw Itih, een mohammedaanse, een fervent liefhebber was van zijn saucisse de Boulogne.