Sluiting van coffeeshops is onvermijdelijk

Het wordt tijd om het drugsbeleid daadwerkelijk Europees aan te pakken, vindt Jan Kees Wiebenga. Dat betekent dat de typisch Nederlandse coffeeshop, waar ook soft drugs worden verkocht, zo snel mogelijk dicht moet. Een beleid op nationale basis biedt op de lange termijn geen oplossing meer.

Er zijn bewegingen gaande aan het Europese drugsfront. Niet zozeer aan de uiterste flanken. In Zweden steunen socialisten, liberalen en conservatieven een beperkend beleid, zoals zij dat - mutatis mutandis - ook ten opzichte van alcohol doen. En aan de andere kant van het spectrum - in ons land - lijkt het gedoogbeleid nog altijd op behoorlijke politieke steun te kunnen rekenen. Toen vorig jaar een Frans voorstel bij de Europese Raad van Ministers voorlag om wetgeving en beleid meer op elkaar af te stemmen, gingen hier de hakken in de grond, onder het motto: 'laat Frankrijk met zijn rotpoten van ons rotbeleid afblijven'.

Niettemin zijn in de verte manoeuvres waar te nemen. In sommige Duitse deelstaten en steden wordt met belangstelling gekeken naar het Nederlandse model. In België en Luxemburg idem. En zelfs in Frankrijk werd recent vanuit de boezem van het nieuwe kabinet een ballonnetje opgelaten in onze richting. Waarneembaar is een langzaam toegroeien naar een drieslag van beleid. Naar een samenhangend beleid van voorkoming, bestrijding en behandeling.

Op het vlak van voorkoming bestaat tussen de Europese lidstaten geen verschil van mening. Steeds meer lidstaten beginnen in te zien, dat met bestrijding alleen de gigantische problemen van misdaad en verloedering niet op te lossen zijn. Nu niet en waarschijnlijk nooit. Het besef begint hier en daar door te dringen dat een behoorlijke inspanning geboden is op het vlak van de zorgverlening en op ander maatschappelijke vlakken zoals stadsvernieuwing.

Eveneens is inmiddels duidelijk dat veel Europese lidstaten weliswaar geen gedoogbeleid à la Néerlandaise hebben, maar dat daar net zoals bij ons in de praktijk van alledag met vervolgingsprioriteiten wordt gewerkt. Dit komt er op neer dat het bezit van kleine hoeveelheden verdovende middelen voor eigen gebruik ongemoeid wordt gelaten.

In wezen staan de landen langzamerhand minder ver van elkaar af dan soms vanuit de polder gezien wordt. Maar er moet wel iets worden bijgezegd. Er is één verschil: de coffeeshops. Hierin staat Nederland alleen, en dat zal ook zo blijven.

Inmiddels is duidelijk geworden, dat juist dit beleidsonderdeel wel heel moeilijk in het buitenland te verkopen is. En dat is niet zonder reden.

Zeker, gelet op de getalsmatige resultaten van ons drugsbeleid lijkt de coffeeshop-formule op het eerste gezicht sterk. Alhoewel de resultaten van het Zweedse beleid - zonder coffeeshops - minstens zo gunstig zijn. De schadelijke neveneffecten zijn evenwel niet gering, zoals de laatste jaren genoegzaam bekend is geworden.

Ten eerste is er het drugstoerisme, veroorzaakt door de magneetwerking van de lage prijzen en gemakkelijke verkrijgbaarheid van de verboden waar. Het buitenland ondervindt daar hinder van, maar het draagt evenzeer bij aan de verloedering van sommige stadswijken. Terecht voeren kabinet en gemeenten sinds kort een harder beleid terzake.

Ten tweede is de juridische onderbouwing van de coffeeshop-formule weinig overtuigend gebleken ten opzichte van het buitenland. Net als alle andere lidstaten heeft Nederland het verdrag van New York ondertekend. Dit vormt de juridische grondslag van het drugsbeleid in alle daaraan deelnemende landen.

Onze opiumwet is daarmee geheel in overeenstemming. Weliswaar wordt onderscheid gemaakt tussen harde en zachte verdovende middelen, maar dat betreft de strafmaat en niet de strafbaarheid als zodanig. Wettelijk gezien is op Nederland niets aan te merken.

De pijn zit hem in de wetsuitvoering. Want daar weet het buitenland van het bestaan van een rondschrijven van onze hoogste openbare aanklagers (de coffeeshop-richtlijn uit 1994), waarin zij in het openbaar aangeven af te zien van strafrechtelijk optreden tegen coffeeshops, indien deze aan een aantal voorwaarden voldoen. Maar in de tekst van diezelfde richtlijn zeggen de procureurs-generaal letterlijk dat de coffeeshops 'een bij de wet verboden situatie zijn'.

Overigens werkt de coffeeshop-formule ook binnenslands niet erg overtuigend. De overheid, die enerzijds bepaalde feiten strafbaar stelt en deze anderzijds groepsgewijs niet vervolgt, heeft een geloofwaardigheidsprobleem. Juist in een rechtsstaat hoort de overheid zich als eerste aan haar eigen wetten te houden. Doet zij dat niet, dan zullen burgers ook gemakkelijker hun eigen gang gaan wanneer het hun beter uitkomt.

De kans dat de buurlanden ons coffeeshop-model ooit zullen overnemen is zeer klein. En dat betekent dat de daaraan verbonden negatieve gevolgen gewoon zullen voortduren.

Wij kunnen met toekomstige politie-acties à la de operatie-Victor blijven kurieren am Symptom, maar de oorzaak van de huidige problemen wordt niet weggenomen. Dat kan alleen door dit internationale vraagstuk ook internationaal aan te pakken - op zijn minst Europees. Dat is te meer noodzakelijk nu binnen de Europese Unie de binnengrenzen aan het vervallen zijn.

De tijd wordt langzamerhand rijp om toe te werken naar een Europees Pact inzake verdovende middelen, een soort compromisso storico, gesloten over de ideologische loopgraven heen. Aan de ene kant moeten de voorstanders van legalisering uit hun loopgraven komen. Legaliseren - ook van alleen soft drugs - kan Nederland nooit in zijn eentje. Dat vergt uittreden uit het VN-verdrag en uit de Schengen-overeenkomst die de kern van het Europees justitiebeleid vormt.

Het is duidelijk dat een Nederlandse alleengang in deze richting het huidige probleem van het drugstoerisme aanzienlijk zal verergeren. Er is - als men dat wil - maar één manier om verdovende middelen zonder schade voor ons land gelegaliseerd te krijgen. En dat is via Europa. Aan de andere kant moeten de voorstanders van voortzetting van de war on drugs zich - met een toenemend aantal Europese regeringen - realiseren dat louter bestrijden maar een deel van het verhaal is. Deze oorlog kan en moet zeker gewonnen worden, maar daarvoor zijn nieuwe initiatieven vereist.

Hoe zou zo'n Europees pact over verdovende middelen er nu uit kunnen zien? De doelstelling zou kunnen zijn het bevorderen van een roes-arme samenleving. Een doelstelling die bewerkstelligd wordt door in plaats van een te gedogend of een te eenzijdig onderdrukkend beleid in alle lidstaten voor een samenhangende aanpak te kiezen, waarbij de drie elementen: voorkoming, bestrijding en behandeling hand in hand gaan. Waarbij in tenminste alle lidstaten van de Europese Unie de vele betrokken instanties planmatiger samenwerken. Gemeentebesturen, provinciebesturen en rijksoverheden. Politie, douane en gevangeniswezen. Sociale diensten, reclassering en zorginstellingen. Scholen, sportclubs en verenigingen. Met het oogmerk om door een ontmoedigingsbeleid voor drank, tabak en verdovende middelen te komen tot een vermindering van het drugstoerisme, tot een beperking van de teloorgang van sommige stadsbuurten, tot een verbetering van de gezondheidstoestand. Het aansluiten bij campagnes als 'drank maakt meer kapot dan je lief is' en 'roken is slecht voor de gezondheid' ligt daarbij voor de hand.

Vanwege de grensoverschrijdende nadelige gevolgen verdragen de coffeeshops in hun huidige vorm zich slecht met een dergelijke aanpak. Daar staat tegenover dat een intensievere benadering van het drugsvraagstuk vanuit de volksgezondheidoptiek door de andere lidstaten een grote verbetering zou zijn. Via een stapsgewijze toenadering van beleid zullen de Europese lidstaten voldoende onderling vertrouwen moeten opbouwen. Een eveneens stapsgewijze terugdringing van het verschijnsel coffeeshops - zoals nu in Nederland toch al gebeurt - moet daarin in te passen zijn.

Mocht op langere termijn ook in Europese regeringskringen een discussie ontstaan over het gezamenlijk vrijgeven van zachte verdovende middelen - waarvoor zoals gezegd een wijziging van het VN-verdrag en de Schengen-overeenkomst nodig is - dan zal ook op die manier de huidige Nederlandse coffeeshop het niet overleven. Want de afzet zal dan ofwel via apotheken gaan ofwel via een onder overheidsregulering opgezet stelsel.

Een dergelijk Europees Pact zou een eind maken aan de zotte toestand, dat sommige politieke partijen, die in het algemeen voor een krachtige Europese samenwerking op het terrein van de internationale misdaadbestrijding pleiten, tegelijkertijd inzake drugs - de kern van het maffia-gebeuren - tot nu toe voor een meer isolationistische opstelling kiezen. Samenwerking - en niet isolationisme - is de enige manier om in een grenzenloos Europa uitzicht te krijgen op duurzame oplossingen van het drugsvraagstuk.