Probleem van de stappende jeugd

Omdat mijn fiets daar stond heet de reportage van Louis van Gasteren, een klassiek geworden bijdrage tot de Nederlandse cinematografie en de geschiedenis van Amsterdam. We zien onder andere hoe de politie aan de Prinsengracht de wapenstok hanteert tegen een menigte lastige jongeren die zich daar heeft verzameld voor de opening van een fototentoonstelling over weer andere rellen die zich bij de verloving van de kroonprinses en de heer Claus von Amsberg hebben afgespeeld.

Aan de Prinsengracht gaat het niet mals toe. Drie agenten meppen in op een jongere die al op straat ligt. Een andere agent wordt uitgescholden voor SS-er en raakt zijn pet kwijt. Het nationaal rumoer, de controverse over het politie-optreden vindt een uitweg op de televisie, bij Mies Bouwman, waar burgemeester Van Hall in De Stoel gaat zitten - een speciale tweepersoons stoel, ontworpen voor een paar openhartige vragen en antwoorden. Mevrouw Bouwman, dat blijkt uit haar vragen, is op de hand van de jongeren. De heer Van Hall geeft geen krimp en verdedigt de politie.

Jongeren en politie: die vormden toen het probleem. Soms werd ingegrepen, ten onrechte of te hard, en dan ontstond verontwaardiging. Dan weer werd niet ingegrepen, ten onrechte (zoals bij De Telegraaf op 14 juni 1966), en dan ontstond ook verontwaardiging. Burgemeester Van Hall zei: “Het is altijd zo dat acht of twaalf agenten tegenover honderden staan. Wat doen die agenten dan? Dan zegt men: ze moeten die jongeren arresteren. Ga met je twaalven maar eens driehonderd jongeren arresteren.” Overigens zag hij het betrekkelijke van het vraagstuk. 'Erge ongelukken' waren en zijn toen niet gebeurd. 'Erge ongelukken, dat is als er dojen vallen.' Gijsbert van Hall heeft het gevaar gezien maar hij wist er geen oplossing voor. Dat heeft hem zijn burgemeesterschap gekost.

Zijn de jaren zestig, ook wat de verhouding tussen de politie en de 'ordeverstoorders' aangaat, een idyllische tijd? In de afgelopen dertig jaar zijn de confrontaties èn harder èn anders geworden. Daarover zou een afzonderlijke geschiedenis te schrijven zijn, de geschiedenis van het straatgeweld. Het is nu onvoorstelbaar dat er 'lastige' of anderszins gemotiveerde jongeren zouden zijn die een brug in een stedelijke verkeersader een paar dagen bezet zouden houden om daar een eigen republiek te stichten. Dat is toen uitgelopen op de 'slag bij de Vondelbrug', 29 februari 1980. Maar het is nu wel voorstelbaar dat ter gelegenheid van Oud en Nieuw alweer groepen jongeren het huis in brand steken van mensen die ze niet eens kennen, terwijl de ME nog op zoek is naar de wapenstok. En ook kijken we er niet van op als een buschauffeur door een ontevreden passagier met een mes wordt gestoken, kinderen een benzinebom in een tuin gooien, een bezoeker van een snackbar op straat wordt mishandeld en agenten worden aangevallen door relschoppende discogangers, terwijl anderen die het goed met de kippen voor hebben, voor negen miljoen gulden schade in een fokkerij aanrichten. (Ik citeer de Volkskrant van maandag; al deze berichten keurig gegroepeeerd op pagina drie).

Al sinds de Batavieren is de jeugd lastig en opstandig, stelde een columnist-historicus onlangs weer vast. Een criminoloog op de televisie bewees met de cijfers dat het met de misdaad minder ernstig gesteld was dan de gewone mens vermoedde. Het valt waarschijnlijk niet tegen te spreken, maar zulke waarheden blijven steken in beschrijvingen die ook verre van nieuw zijn. Het gaat niet zozeer om de millenia-oude opstandigheid of lastigheid van 'de jeugd', en de frequentie van 'overlast', maar om de vraag naar de reactie van de maatschappij, en dan vooral daarin het bestuur, de denkers die weten of menen te weten, hoe via opvoeding, onderwijs en maatregelen tot het behoud van de orde de jeugdige opstandigheid tot constructief burgerschap kan worden bevorderd. Willen we dit laatste niet, dan heffen we de beschaving op.

Concreet gezegd, betrekking hebbend op de 'incidenten' van het afgelopen jaar: wat doet de maatschappij met stappende jongeren die al dan niet expres iemand doden, met messtekende trampassagiers, met molotovcocktail gooiende kinderen? Toegefelijk glimlachen (daarin hebben we veel variaties ontwikkeld) omdat we wel weten dat het 'incidenten' zijn, die op rekening van een natuurlijke opstandigheid moeten worden geschreven?

In Groningen is de politie òf niet bijtijds gewaarschuwd, òf ze heeft wegens al te grote lastigheid van de opererende jongeren van direct ingrijpen afgezien. Menigeen die geen carrière bij de politie heeft gezocht, zal zich dit laatste kunnen voorstellen.

In dit geval hoeven we ons in ieder geval niet te verdiepen in 'nodeloos politiegeweld'. Dat is geen troost voor degenen wier huis nodeloos in brand is gestoken. De vraag is nu, zoals dertig jaar geleden, maar met een heel andere strekking: deugt de politie wel als het erom gaat, de jongeren aan het verstand te brengen dat er grenzen aan de opstandigheid zijn?

In ieder vak wordt men beoordeeld naar zijn prestaties. In dit geval luidt het antwoord: nee, de politie deugt niet. Het kan zijn dat er het een en ander aan de organisatie ontbreekt, of dat sommige agenten, toen puntje bij paaltje kwam, minder moed bleken te hebben dan ze dachten toen ze voor hun loopbaan kozen. Er zullen duizenden dappere agenten zijn en tienduizenden fatsoenlijk-opstandige jongeren, maar voor de paar honderd terloops afgeranselde burgers telt alleen het resultaat en dat is slecht.

Wat kan eraan worden gedaan? Een zero tolerance zoals in de Verenigde Staten wordt gepraktiseerd? Zijn wij daar geschikt voor? Zelf een bewakingsdienst huren? Heeft iedereen daar het geld voor? Strenger straffen; terwijl we weten dat zeker een jongere van een lang verblijf in de gevangenis niet opknapt? Het 'zinloos straatgeweld' en andere misdadige redeloosheid veroorzaakt vragen waarop we het antwoord niet weten.

Willen we wel een antwoord geven dat verder gaat dan af en toe een twee minuten stilte en een grondig onderzoek?