Paul Verhoeven gebruikt fascistische beeldtaal als satire op de Amerikaanse oorlogsfilm; Alle helden zijn frisse pubers uit soapseries

Starship Troopers. Regie: Paul Verhoeven. Met: Casper Van Dien, Dina Meyer, Denise Richards, Neil Patrick Harris, Patrick Muldoon, Jake Busey, Michael Ironside. In: 70 theaters.

De ideologische basis van klassieke Amerikaanse oorlogsfilms heeft me altijd in verwarring gebracht. De waarden die Hollywood uit lijkt te willen dragen in de wereld zijn immers kortweg samen te vatten als democratie, gelijke kansen voor iedereen en respect voor het individu. Maar mede door die films duldt het darwinistisch-kapitalistische maatschappijmodel, de verheerlijking van het recht van de sterkste, al een jaar of vijftien nauwelijks tegenspraak meer. Immers, in elke Amerikaanse film, die begint met het klaarstomen van militaire rekruten om een totalitaire tegenstander het hoofd te bieden, draait het juist om de vernietiging van eigen initiatief en individuele eigenaardigheden. Van de dienstkapper tot de schreeuwende drilsergeant is iedereen gericht op het fabriceren van vechtrobots, die het liefst sterven voor het vaderland.

Er bestaat een dun raakvlak tussen extreem geloof in the survival of the fittest en fascisme: je kunt het aantreffen in de geschriften van Ayn Rand, in oorlogsfilms met John Wayne of van John Milius en in het science fictionwerk van Robert A. Heinlein. Het is dan ook niet toevallig dat Heinleins Star- ship Troopers de inspiratie vormde voor de gelijknamige nieuwe film van Paul Verhoeven, een sardonisch spel met de paradoxen van Amerikaans militair heldendom.

Met een budget van meer dan honderd miljoen dollar en militaire precisie in het toepassen van de filmtrucagetechnologie heeft Verhoeven van zijn zesde Amerikaanse film een spektakel gemaakt dat een jong massapubliek inpakt. Het is ook voor de goede verstaander een kille satire op de clichés van het genre, een vernietigende fantasie over de uiterste consequenties van de Pax Americana. Werd in Star Wars de beeldtaal van Leni Riefenstahl alleen nog maar gebruikt om de vijand mee in een kwaad daglicht te stellen, in Starship Troopers draagt het hele Amerikaanse leger Wehrmachtuniformen en de inlichtingendienst lange leren SS-jassen. Op een middelbare school in Buenos Aires (niet meer te onderscheiden van Los Angeles of Milwaukee) houdt een geschiedenisleraar, scheldend op de sociale wetenschappers van de twintigste eeuw, zijn pupillen voor dat ze alleen maar goede burgers kunnen worden van de Wereldfederatie door vrijwillig dienst te nemen in het leger. Het slimste en knapste meisje wordt piloot, haar minder begaafde aanbidder komt niet verder dan de infanterie en de nerd van de school wordt kolonel in de spionageafdeling. Gedrild en gehersenspoeld komen de oude schoolvrienden (voor het merendeel gespeeld door onbekende jonge acteurs uit soapseries) elkaar steeds weer tegen in de oorlog die weinig later losbrandt, tussen de Federatie en reusachtige, moordlustige insecten van een andere planeet. Dat ook de Nazi's hun tegenstanders bij voorkeur als ongedierte afschilderden, is maar een van de vele morbide implicaties van Verhoevens satire op de conformistische tendensen in zijn nieuwe vaderland.

De eerste twintig minuten van de film, waarin het monsterlijke collectieve sadisme op een Amerikaanse high school breed uitgemeten wordt, zetten de toon voor de karikaturale en gevoelloze rest: helden zijn sentimentele pubers, gemanipuleerd door berekenende generaals. Ik heb ademloos zitten kijken naar Verhoevens inktzwarte bravoure, naar zijn poging om de machtigste filmmachinerie in de wereld dienstbaar te maken aan zijn eigen stokpaardjes over de vatbaarheid van de mens voor het kwaad. Verhoeven maakt het de kijker onmogelijk partij te trekken voor de insecten, maar wie in zijn film slechts een verheerlijking van fascistische glorie ziet, heeft zijn verstand uitgeschakeld. De hier en daar de kop opstekende Amerikaanse kritiek dat Verhoeven zelf een fascist is, doet denken aan de Nederlandse reactie destijds op zijn Spetters.