N-Ierse terroristen bazuinen acties niet meer rond

De Noord-Ierse terreurorganisaties mogen het moorden hebben verminderd, het alledaags geweld hebben ze geïntensiveerd. Volgens Glyn Roberts van de organisatie 'Families Against Intimidation and Terror' is er nooit een echt staakt-het-vuren geweest.

BELFAST, 7 JAN. Ze waren met drieën gekomen. Eén van de gemaskerde mannen was op zijn hoofd gaan zitten. Een ander had zijn armen vastgehouden. De derde schoot hem door het rechterbeen.

De 24-jarige Sean McNally zit in een rolstoel. Hoe de artsen in het Royal Victoria Hospital ook vochten, zijn onderbeen konden ze niet meer redden. Als een buurman het been niet bij de knie had afgebonden, was hij doodgebloed.

Wat hij misdaan had? Hij had autoradio's gestolen. Het verboden Ierse Republikeinse Leger meende een voorbeeld te moeten stellen. De IRA heeft hem veroordeeld tot levenslang.

Terwijl in Belfast de hele week al crisisberaad wordt gevoerd om de wapenstilstand van de terreurorganisaties te redden die na drie recente moorden op instorten staat, vraagt Glyn Roberts zich af of er wel ooit een staakt-het-vuren geweest is. Hij wijst op de wand in zijn gepantserde kantoor die hij zijn “gruwelkabinet” noemt. Vol close-up foto's van versplinterde botten en bloederige wonden. In het midden hangt het portret van een zwaar gehavende man in een ziekenhuisbed van wie alleen zijn ogen nog te zien zijn. Daarnaast de foto van een tiener die zich staande houdt op krukken. Tegen een muur waarop met koeienletters gekalkt staat: IRA.

Dat zijn de mensen die steun zoeken bij de organisatie Families Against Intimidation and Terror (FAIT) van Glyn Roberts. Slachtoffers van het paramilitair geweld dat doorgaat. Ondanks het nieuwe bestand dat de IRA een half jaar geleden heeft afgekondigd. Ondanks het staakt-het-vuren waaraan de loyalistische terreurorganisaties zich al ruim drie jaar lang zeggen te houden. “Negentienjarige jongen in elkaar geslagen met koevoet.” “Jongen van veertien bewusteloos geranseld voor de ogen van zijn moeder, nadat de daders met een sloophamer toegang tot hun huis hadden verschaft.” In The Belfast Telegraph zijn het niet meer dan korte berichten waar niemand nog van op kijkt. Zo zeer is de Noord-Ierse samenleving al gewend geraakt aan het alledaags geweld.

Volgens cijfers van FAIT die worden onderschreven door de politie, waren de republikeinse en loyalistische terreurorganisaties vorig jaar betrokken bij 72 schietpartijen, twee keer zoveel als in 1996. Er vielen twintig doden, vijf meer dan het jaar daarvoor. Tegelijkertijd halveerde het aantal afranselingen tot 156. Nauwelijks een troost als Roberts vertelt hoeveel slachtoffers door die terreur fysiek en psychisch voor het leven zijn getekend. Hij schat dat er vorig jaar in Noord-Ierland meer dan honderzestig kerken en scholen in brand gestoken zijn.

De aard van het geweld is veranderd sinds de IRA zich eind augustus 1994 tot stopzetting van de militaire operaties bekende, een initiatief dat tweeënhalve maand later door de loyalistische groepen werd gevold. De terreurorganisaties leggen geen bommen meer, ze schieten niet meer op soldaten en politieagenten, ze maken over de hele linie een spaarzamer gebruik van het geweer. Schietwapens hebben ze ingeruild voor ijzeren staven, honkbalknuppels en houten planken die van roestige spijkers zijn voorzien.

Het moorden mag zijn verminderd, het alledaags geweld hebben ze geïntensiveerd. In 1993, het laatste volle jaar voor het eerste bestand van de IRA, bleef het aantal kloppartijen beperkt tot 41, bijna een kwart van de score vorig jaar. “Juist omdat ze zich geremd voelen door het staakt-het-vuren, voelen ze zich verplicht hun gezag op een andere manier te laten gelden”, verklaart Robert die stijging van het aantal afrekeningen. Soms slaan terroristen mensen in elkaar die ze ervan verdenken informatie aan de politie door te spelen. Soms worden er onder het mom van politieke strijd persoonlijke vetes beslecht.

Verder heeft het Ierse Republikein Leger de gewoonte kleine criminelen te bestraffen, omdat de rechtspleging niet aan Britse autoriteiten toevertrouwd kan worden, die tenslotte worden beschouwd als een bezettingsmacht. “Toch heb ik liever met Noord-Ierse agenten te maken”, zegt Roberts, “dan met paramilitairen die geen verantwoording hoeven af te leggen en tegelijkertijd politie, rechter en beul willen zijn.”

Wat het staakt-het-vuren ook heeft veranderd, is dat de terroristen hun acties niet meer rondbazuinen. Onder het motto dat in Noord-Ierland bekend staat als 'no claim, no blame'. Zolang paramilitairen hun afstraffingen niet officieel opeisen krijgen ze ook niet de schuld. Ook al weten buurtbewoners net zo goed als de politie volgens Roberts wie er voor de verwondingen verantwoordelijk zijn.

Hij verwijt de regeringen van Groot-Brittannië en Ierland “grenzenloze hypocrisie omdat ze dit smerige spel meespelen”. Al snapt hij ook wel dat de regeringen een beëindiging van het staakt-het-vuren en een terugkeer tot openlijk geweld willen voorkomen. Maar hij vindt het onbegrijpelijk dat politieke vertegenwoordigers van de terreurorganisaties aan het vredesoverleg kunnen blijven meedoen zonder dat ze op de voortgaande straatterreur worden aangesproken. Om te mogen deelnemen aan de onderhandelingen over een politieke regeling voor Noord-Ierland hebben alle partijen de zogeheten 'Mitchell-principes' moeten onderschrijven. Ook Sinn Fein, ook de Progressive Unionist Party (PUP), ook de Ulster Democratic Party (UDP), allemaal groeperingen die aan de paramilitairen zijn gelieerd. Eén van die principes is dat de partijen zich van terreur onthouden en zich ook kloppartijen distantiëren. “De regeringen knijpen niet één maar twee ogen dicht om de politieke vertegenwoordigers van de terreurorganisaties maar aan de onderhandelingstafel te houden”, luidt de conclusie van Roberts. “Een bepaalde mate van geweld wordt kennelijk door beide overheden geaccepteerd.”

Volgens Roberts is deze ruimhartigheid voor veel slachtoffers van de terreur maar moeilijk te verteren. “Ze moeten kotsen als ze op televisie zien hoe politici van Sinn Fein, de PUP en de UDP als staatslieden worden behandeld. Zij voelen zich vergeten. Opgeofferd aan het vredesproces.”