Hoge Raad wijzigt Pikmeer-arrest

DEN HAAG, 7 JAN. De Hoge Raad is tegemoetgekomen aan brede maatschappelijke kritiek op het verlenen van straffeloosheid aan lagere overheden. Deze immuniteit dient strikt te worden beperkt tot de uitvoering van exclusieve overheidstaken.

Het hoogste rechtscollege stelt dit in een tweede uitspraak in de zogeheten Pikmeer-zaak. Deze heeft betrekking op het storten van vervuild baggerslib zonder vergunning door ambtenaren van de Friese gemeente Boarnsterhim.

Begin 1996 besliste de Hoge Raad in het eerste Pikmeer-arrest dat lagere overheden zoals een gemeente niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor overtredingen die zijn begaan bij de uitvoering van een wettelijke taak. Deze uitspraak gold bijvoorbeeld in de geruchtmakende vuilegrondaffaire in Nijmegen als een onoverkomelijk obstakel voor justitie. De Tweede Kamer vroeg minister Sorgdrager (Justitie) in een motie om een wetswijziging die vastlegt dat lagere overheden in beginsel strafrechtelijk vervolgbaar zijn.

De maatschappelijke en politieke commotie is voor de Hoge Raad aanleiding geweest over te gaan tot een “heroverweging en precisering” van zijn eerste oordeel. Een rol speelt ook dat overheidstaken steeds vaker worden geprivatiseerd. De strafrechtelijke vervolgbaarheid van overheidsinstanties dient volgens het tweede Pikmeer-arrest, dat gisteren werd gewezen, te worden verruimd. Wel waarschuwt het college dat de strafrechtelijke aanpak van openbare lichamen en ambtenaren nooit een automatisme mag worden.