Deskundigen hekelen overhaaste liberalisering; 'Wijers loopt te hard van stapel met stroomwet'

Vrijmaking van de elektriciteitsmarkt (vrije productie en handel, weg met de monopolies) kan de Nederlandse energie- rekening honderden miljoenen guldens per jaar verlagen. Maar Minister Wijers loopt met zijn nieuwe Elektriciteitswet te snel van stapel, vinden experts in de stroomsector.

ROTTERDAM, 7 JAN. Nederland ligt niet alleen gunstig voor het transport van goederen via Rotterdam, de binnenwateren, spoor- en wegverbindingen, maar het kan ook zijn centrumfunctie in de internationale handel en transport van energie beter uitbuiten. Via pijpleidingen en tankschepen worden al heel veel olie en brandstoffen getransporteerd. Ook het leidingennet van de Gasunie, gecombineerd met ondergrondse opslagvoorzieningen voor gas, kan in de volgende eeuw een spinnenweb voor de Europese aardgashandel worden. Hetzelfde geldt voor elektriciteit, constateert Wim van Velzen, energie- en telecomspecialist van de christen-democratische fractie (EVP) in het Europees Parlement.

“We liggen in een gouden driehoek met netwerkverbindingen naar Duitsland en België die in totaal een vermogen van 13.000 megawatt elektriciteit kunnen transporteren. Tussen Frankrijk en Duitsland kan 6.000 megawatt worden uitgewisseld en via Luxemburg nog eens 7.000, samen nog eens 13.000 megawatt dus. Maar minister Wijers (Economische Zaken) loopt met zijn ontwerp voor een nieuwe Elektriciteitswet te hard van stapel met de liberalisering. Hij loopt het risico dat de Nederlandse elektriciteitssector wordt weggedrukt in de internationale concurrentiestrijd.”

De minister kan Van Velzens kritiek niet veronachtzamen, want juist deze parlementariër zorgde er eind 1996 in Straatsburg voor dat de elektriciteits-richtlijn van de EU, waarop Wijers' wetsvoorstel is gebaseerd, een meerderheid in het Europees Parlement verwierf. Daar hechtte de minister sterk aan, want hij had van de liberalisering een speerpunt gemaakt voor zijn beleid tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in de eerste helft van vorig jaar.

Van Velzen vreesde dat de richtlijn door een lawine van amendementen (wijzigingsvoorstellen) zou sneuvelen. Het vooruitzicht dat de Europese Commissie en het parlement dan zeven jaar aan een mislukking hadden besteed deed hem een ommezwaai maken. Ten koste van eigen politieke idealen forceerde hij een doorbraak door alle amendementen van de EVP-fractie in te trekken en Commissie en Ministerraad aan een meerderheid te helpen.

Wijers kiest in zijn wetsvoorstel, waarover hij op 19 januari met de Vaste Commissie voor Economische Zaken in de Tweede Kamer 'wetgevend beraad' voert, voor een eerste opening van de stroommarkt met 40 procent in plaats van de 25 procent die de nieuwe richtlijn van de Europese Unie voorschrijft. Bovendien wordt de productie van elektriciteit, tot nu toe voor meer dan 70 procent in handen van semi-overheidsbedrijven met een monopoliepositie, volledig vrij zodra de nieuwe wet van kracht wordt.

Industriële grootverbruikers juichen dit streven van de vrije marktdenker Wijers van harte toe. Ze oefenden de afgelopen jaren om het hardst druk uit op de EU-burelen in Brussel en op de nationale overheden om de liberalisering snel door te zetten. Dat stimuleert een levendige handel met participatie van buitenlandse partijen en de laagst mogelijke prijzen. Die kunnen mede op een nog op te richten Elektriciteitsbeurs tot stand komen. Overschotten van de Franse kerncentrales en Zwitserse waterkrachtcentrales komen in de aanbieding. De eerste contracten, aangeboden door het Amerikaanse bedrijf Enron, zijn in Nederland al afgesloten door enkele grootverbruikers. Een studie die in 1996 in opdracht van Economische Zaken werd verricht raamt de mogelijke welvaartswinst van liberalisering (verlaging van de nationale energierekening) op 400 miljoen gulden per jaar.

Pagina 16: Kritiek op Wijers

Wijers eist wel inzicht in de rol van Nederlandse afnemers in de internationale stroomhandel, en bevoegdheid om in te grijpen zodra hij de indruk krijgt dat er tegen fancy prijzen wordt gedumpt of “onevenwichtigheid” op de Nederlandse markt ontstaat. Hij erkent dat een grotere marktopening dan in de buurlanden de Nederlandse markt kwetsbaar maakt voor concurrentievervalsing.

Zo'n situatie ontstaat als een bedrijf uit bijvoorbeeld Frankrijk (Electricité de France) ongelimiteerd naar Nederland exporteert, terwijl de Franse markt voor Nederlandse import grotendeels afgeschermd blijft. EDF kan dan immers de winst uit zijn monopoliepositie gebruiken om buitenlandse afnemers aantrekkelijke contracten aan te bieden (kruissubsidiëring). Als het exporterende land onvoldoende reciprociteit (gelijke mate van liberalisering op de binnenlandse markt) toepast, zal Wijers geen toestemming voor de contracten verlenen.

Daarbij beroept de minister zich op bepalingen in de Europese richtlijn. Maar juist op dat punt kreeg hij scherpe kritiek van de Nederlandse elektriciteitssector, de Raad van State en nu ook van Europarlementariër Van Velzen. Het desbetreffende artikel 19 in de richtlijn heeft een andere bedoeling. De Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie zouden toepassing ervan voor een importverbod kunnen afkeuren.

Wijers verwerpt die kritiek en wijst op het intensieve overleg dat hij met andere lidstaten en de Europese Commissie heeft gevoerd. Volgens Wim van Velzen is de minister hierbij mede afhankelijk van het oordeel van de Europese Commissie en kan hij buitenlandse leveranciers niet zomaar buiten de deur houden.

De openbare productiesector, verenigd in de Samenwerkende Elektriciteits Productiebedrijven (Sep), wijst erop dat de adviseurs van Wijers onmogelijk kunnen nagaan waar de buitenlandse stroom die via marktpartijen als Enron wordt ingekocht precies vandaan komt. Bovendien is er meestal geen sprake van fysieke levering van stroom uit een bepaald land, maar levert bijvoorbeeld Frankrijk aan België en krijgt de Nederlandse klant Belgische stroom. Ook kan het gaan om ruilhandel waarmee de minister om de tuin wordt geleid. Voorbeeld: EDF kan een Duits bedrijf betalen om aan een Nederlandse afnemer te leveren.

Van Velzen bepleit een geleidelijker opening van de Nederlandse markt en een overgangstermijn van vijf jaar om de productie- en distributiesectoren aan een level playing field te helpen. “Ze zijn nog niet fit genoeg om de concurrentie volledig aan te kunnen.”

In zo'n overgangsperiode kan de fusie van de vier Nederlandse stroomproductiebedrijven goed worden gerealiseerd en kan het Grootschalig Productiebedrijf (GPB) een stevige positie krijgen. Dat impliceert in Van Velzens visie dat de minister “niet op de muziek vooruit moet lopen, maar gelijke tred met de Europese richtlijn houdt: een marktopening van 25 procent dus, in plaats van de 40 procent die hij nu voorstelt.”

Dat zou betekenen dat minder grootverbruikers, handelaren, producenten en distributeurs van stroom vrij worden in hun afname - en daarmee ook van import - dan de minister beoogt. Na de overgangsperiode kan Wijers in Van Velzens visie het liberaliseringsproces weer versnellen.

Het Grootschalig Productiebedrijf moet, om zich met grote buitenlandse concurrenten enigszins te kunnen meten, fors herstructureren en zijn eigen vermogen flink opkrikken. De distributiebedrijven, de belangrijkste aandeelhouders van dat GPB, zijn tot 2001 met handen en voeten gebonden aan het bedrijf. Dat achten zij als aandeelhouders nodig om het GPB een goede start te geven, maar ze klagen er tegelijkertijd over dat het wetsvoorstel van Wijers hen benadeelt ten opzichte van buitenlandse concurrenten. De overheid wil stevig greep op de distributeurs houden, door jaarlijkse vaststelling van de tarieven voor kleinverbruikers en stroomtransport.

“We moeten ruimte krijgen om onze concurrentiepositie te versterken”, zegt directeur Rob van 't Hullenaar van de koepelorganisatie EnergieNed. “Wij bepleiten dat de minister maximumtarieven vaststelt. Dan hebben de bedrijven zelf de bevoegdheid om minder in rekening te brengen en daarmee hun marktaandeel en financiële positie te versterken.”

Ook vindt EnergieNed dat Wijers de distributiebedrijven benadeelt door zijn eis dat ze hun netwerkbeheer juridisch en organisatorisch moeten scheiden van commerciële activiteiten. In het buitenland wordt scheiding van administratief beheer en management van het netwerk al voldoende geacht.