De verschrikkingen van het leesdossier

De nieuwe semi-permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum deed Pieter Steinz op 5 december in deze krant opmerken dat het bewerken van een jong en zogenoemd ontleesd publiek eerder de taak is van toeleveranciers van de literaire wereld: de docenten Nederlands op de middelbare scholen. “Zij zijn het die hun leerlingen laten kennismaken met Multatuli en Couperus, Nescio en Bordewijk.”

Deze opvatting onderschrijf ik volledig. Maar voor de toeleveranciers van de literaire wereld, valt binnenkort nog maar weinig 'toe te leveren'. Dat komt, nog afgezien van de nieuwe didactiek (zelfstandig leren) die binnenkort omhelsd moet worden, door de plannen voor het Nederlandse literatuuronderwijs in de vernieuwde tweede fase.

Wat gaat er gebeuren? Op het Havo komt de hele literatuurgeschiedenis zomaar te vervallen. Perioden als Middeleeuwen, Renaissance, Verlichting en Romantiek, maar ook recentere perioden, zijn voorbij, en dat zullen we weten ook. Multatuli? Nooit van gehoord. Couperus? Wie is dat? Nescio? Ik weet niet.

En alsof de afschaffing van de literatuurgeschiedenis nog niet genoeg is, wordt nu ook het lezen zelf nog eens geminimaliseerd. Niet meer dan een schamele acht boeken moeten op het Havo worden gelezen, en dan nog binnen de zogenoemde 'studielasturen'. Niet de culturele overdracht, maar de persoonlijke leeservaring staat daarbij centraal.

Hoe dat moet met een persoonlijke leeservaring, zonder veel benul van de culturele context waar een literair werk deel van uitmaakt, is mij een raadsel. Maar geen nood. De leerlingen kunnen gebruik maken van achtergrondinformatie wanneer zij met behulp van 'hun kennis over de context' de inhoud van het werk beschouwen.

Hoe je gebruik kunt maken van achtergrondinformatie, zonder dat je beschikt over referentiepunten, is mij niet erg duidelijk. Een kader, hoe ruw en beperkt ook, is toch wel het minste wat de leerlingen aangeboden moeten krijgen. Hoewel om de waardering te onderbouwen ook uitspraken gedaan moeten worden over de vorm van het werk, is deze vorm ondergeschikt gemaakt aan de inhoud.

Voor een literair-historische benadering blijven op deze manier maar beperkte mogelijkheden over. Het zal er wel op neerkomen dat de leerlingen - met de nodige verdieping, dat wel - moeten aangeven of zij het boek 'leuk' of 'niet leuk' hebben gevonden.

Over de verschrikkingen die de docent Nederlands te wachten staan bij de begeleiding van 'het leesdossier', waarin “de beschrijving, verdieping en evaluatie van de persoonlijke leeservaring” worden vastgelegd, zal ik het maar niet hebben. Verbazingwekkend is het intussen wel dat de Voorlichtingsbrochure Nederlands, Vernieuwde Tweede Fase ervan spreekt dat de culturele kant van het vak Nederlands versterkt wordt. Dat gebeurt, zo staat er, door veel meer dan voorheen 'samenwerking tot stand te brengen met de moderne vreemde talen en met het vak culturele en kunstzinnige vorming'. Bij dit laatste vak moeten ook theater, dans en film een plaats krijgen.

Op zichzelf zijn dit natuurlijk aantrekkelijk ideeën, maar of een dergelijk samenwerkingsverband, de beschikbare uren en de hoeveelheid stof die verwerkt moet worden in aanmerking nemend, tot een adequate cultuurgeschiedenis zal leiden, is zeer de vraag.

Ondertussen wordt nog steeds gedacht dat docenten Nederlands de 'toeleveranciers van de literaire wereld' zijn en blijven. Over het studiehuis worden (terecht) kolommen volgeschreven. De tussenletter 'n' in samenstellingen na de spellingwijziging van 1995, daar kon het papier niet voor aangesleept worden. Het Letterkundig Museum selecteert ongelukkig en de kranten staan er bol van. Maar aan zoiets ingrijpends als de veranderingen in het literatuuronderwijs bij het vak Nederlands op het Havo gaat iedereen voorbij. Dat is jammer, voor het vak Nederlands, maar ook, op termijn, voor het Letterkundig Museum. Dit zal, de Gipharten en Grunbergen ten spijt, op den duur van deze ontwikkelingen de weerslag ondervinden.