De oosterse inspiratiebronnen van Matisse

Tentoonstelling: Matisse, 'La révélation m'a venu de l'Orient' Capitolijnse musea, piazza del Campidoglio, Rome. T/m 20 jan. Di t/m zo 9-19u, vr en za tot 22u. Inl 00 39 6 678 61 37.

In hun speurtocht naar een nieuwe beeldtaal hebben tientallen schilders rond de eeuwwisseling inspiratie gezocht buiten de tradities van de Europese cultuur. Vincent van Gogh was een liefhebber van Japanse prenten. Gauguin reisde naar Tahiti. Voor Picasso waren de Afrikaanse primitieven een openbaring.

Deze speurtocht kwam voort uit een gevoel dat de schilderkunst in een doodlopende straat terecht was gekomen. Zij was te verfijnd geworden, te subtiel, en daardoor raakte haar uitdrukkingskracht afgezwakt. De kunstenaars gingen op zoek naar een ander paradigma.

De Franse schilder Henri Matisse (1869-1954) bleef aanvankelijk nog binnen de Westerse traditie. Na wat experimenten met het impressionisme en het pointillisme concentreerde hij zich op kleur. Vorm werd een ondergeschikt element in het schilderij. De zeggingskracht moest komen van intense kleuren, in voor die tijd wilde combinaties. Op een tentoonstelling in 1905 werden Matisse en een aantal collega's die dezelfde weg volgden, omgedoopt tot Les Fauves, de wilden.

Kleur is heel zijn leven essentieel gebleven voor Matisse, maar het was niet voldoende. Zijn eigen stijl vond hij pas door over de Europese grenzen te kijken. Naar Russische iconen die hij ontdekte op zijn bezoek aan de Russische verzamelaar Sergej Sjoekin, een van zijn beschermheren. Naar Egyptische kunst die hij bestudeerde op zijn bezoeken aan het Louvre. Naar perzische miniaturen en andere islamitische decoratieve kunst die hij zag op tentoonstellingen en op zijn reizen naar Marokko. “De openbaring is mij uit het Oosten gekomen”, schreef hij aan een vriend.

Dit citaat is het thema van een tentoonstelling in Rome die de enorme invloed in kaart wil brengen die oosterse kunst heeft gehad op Matisse. Na de grote retrospectieven in New York (1992) en Parijs (1993) biedt deze expositie een geslaagde bijzondere invalshoek op zijn werk. De curatoren hebben een aantal effectieve vergelijkingen gemaakt om die oosterse invloeden te onderstrepen. De overeenkomsten tussen het portret van Lorette met het rode vest bijvoorbeeld, de Italiaanse vrouw die tussen 1916 en 1918 veel model voor hem heeft gestaan, en een vrouwenportret van 350 uit Fayyum, in Egypte. Of het portret van Sarah Stein, uit 1916, met een zestiende-eeuws icoon van Christus Pantocrator uit Novgorod.

“Het oosten heeft ons gered”, heeft Matisse gezegd waarbij het oosten een verzamelnaam was voor Noord-Afrika, het Midden- en het Verre Oosten. Daar vond hij de inspiratie voor de nieuwe fundering van de schilderkunst die hij beoogde. Net als op de byzantijnse iconen verdwenen diepte en clair-obscur uit zijn schilderijen. Er is vaak nauwelijks verschil tussen voor- en achtergrond. Net als in islamitische kunst werd decoratie belangrijk, niet in de Westerse betekenis van minder belangrijke versiering, maar als een integraal onderdeel van de harmonie van een schilderij. Een typerend voorbeeld zijn de portretten die hij in Marokko heeft gemaakt. In Amido, een verkleinwoord voor Mohammed, blijft het gezicht zonder uitdrukking. De expressie komt van de kleuren: het lichtgroene vest van de jongen, zijn oranje halsdoek, zijn witte bloes. De pastelachtige kleuren, niet de vormen, vertellen dat dit een jongen is. Riffano is in hard groen geschilderd, met feller oranje. Dit is een man.

“Ik schilder zelden portretten, maar als ik het doe, is het op een decoratieve manier”, zei Matisse. Door die nadruk op decoratieve elementen krijgen veel van zijn interieurs iets van een oosters tapijt; niet voor niets spelen tafel- en vloerkleden en behang steevast een grote rol. Mensen, voorwerpen en abstracte patronen zijn even belangrijk.

Een apart hoofdstuk in de relatie tussen Matisse en oosterse kunst vormen zijn odalisken, voluptueuze dienaressen in de harem van een sultan. Deze schilderijen maakten hem beroemd, maar sommige critici zagen er een vorm van commercieel conformisme in waarin Matisse de esthetische criteria liet vieren die hij in de jaren daarvoor had ontwikkeld. Toch komen ook hier zijn typerende elementen terug: de platte vlakken, de contrasterende kleuren. Matisse zei dat ze een gelukkige nostalgie verbeelden. Het zal geen toeval zijn dat hij het vijftigtal odalisken dat op zijn naam staat, bijna allemaal in Nice heeft geschilderd. Matisse was verrukt over het licht aan de Côte d'Azur.

Minder dan het thema illustreert de manier van uitbeelden van deze odalisken de invloed van de beeldtaal van de oosterse kunst op Matisse. De tentoonstelling in Rome onderstreept deze band nog eens door naast de tweehonderd werken van Matisse een zeventigtal orientaalse kunstwerken te laten zien. Dit zijn voorwerpen uit de persoonlijke verzameling van Matisse of zaken die hij met eigen ogen heeft kunnen zien op tentoonstellingen. De overeenkomsten zijn vaak verbluffend. De directe confrontatie met de werken van Matisse en zijn inspiratiebronnen illustreert overtuigend de centrale stelling van deze tentoonstelling: Matisse heeft de oosterse kunst gebruikt om het westen een nieuwe manier van kijken aan te bieden.