De ingrijpende privatisering van Hongarije werpt haar vruchten af; Het goulash-mirakel

Na de val van het communisme in Hongarije sloegen buitenlandse bedrijven hun slag in dit deel van Oost-Europa. De 'uitverkoop' van de Hongaarse economie krenkte de bevolking diep, maar de huidige welvaart verzacht de pijn. Over het succes van de tweede Hongaarse revolutie.

Het economisch nieuws van zomaar een dag in Hongarije. Consortia van buitenlandse en Hongaarse investeerders hebben een meerderheidsaandeel gekocht in de elektriciteitscentrales in Bakony en Pécs. Twee Hongaarse banken hebben voor 65 miljoen dollar van Alitalia het 35 procents-aandelenpakket in de luchtvaartmaatschappij Malév overgenomen. De privatisering van het staatsolie- en gasbedrijf MOL, de grootste onderneming van het land, wordt in maart 1998 voltooid.

Verkoop van staatsbedrijven, overnames, en een invasie van buitenlands kapitaal bepaalden de afgelopen jaren het bioritme van de Hongaarse economie. Maar het wordt rustiger aan de Donaukade, waar het staatsprivatiseringsbedrijf APV is gevestigd. De meest rigoreuze verkoop van staatseigendom in Midden- en Oost-Europa zit er na zeven jaar bijna op. Van de 2000 voormalige staatsbedrijven zijn er zo'n 1700 verkocht (80 procent aan buitenlanders). De privé-sector verdient inmiddels 80 procent van het Hongaarse bruto nationaal produkt. De Hongaarse economie leeft zo duidelijk op, dat andere voormalige communistische landen in de regio, zoals Polen, Tsjechië en Roemenië, bestuderen hoe zij het 'Hongaarse model' kunnen kopiëren.

Economen spreken wel van “de tweede Hongaarse revolutie”, die in tegenstelling tot de opstand tegen de Sovjet-overheersing in 1956 wel is geslaagd. “In '56 kwamen de Hongaren niet zozeer in opstand tegen het systeem maar tegen de methoden van onderdrukking. Deze revolutie heeft daarentegen de totale structuur van de samenleving veranderd”, zegt Dr. Arpád Kovács, de voorzitter van de APV. De resultaten zijn overal in Hongarije zichtbaar, in alle opzichten. De telefoon werkt en de winkels liggen vol met Westerse waren, maar bejaarden laten 's winters de verwarming zo lang mogelijk uit omdat het gas zo duur is geworden.

De revolutie in de Hongaarse economie begon in 1989 met de verkoop van 51 procent van de aandelen in Tungsram (licht) aan General Electric. De eerste democratische regering onder premier Jozsef Antall had privatisering hoog op de agenda staan, maar in praktijk kwam er weinig van. Pas onder de oud-communist Gyula Horn, die met zijn Socialistische Partij de verkiezingen van 1994 won, stegen de verkopen van staatsbedrijven aan buitenlanders tot recordhoogte. Zo ontving Hongarije 1,73 miljard dollar voor 67 procent in het telecommunicatiebedrijf Matáv, en 1,8 miljard dollar voor meerderheidsbelangen van buitenlandse investeerders in gas- en elektriciteitsbedrijven. De cash-privatisering was uit nood geboren. Hongarije moest een buitenlandse schuld van 31 miljard dollar aflossen (72 procent van het BNP), waarmee het communistisch bewind de uitgedijde verzorgingsstaat had gefinancierd. En binnenlands kapitaal voor investeringen was simpelweg niet voorhanden.

De Hongaarse trots kreeg een knauw toen bleek dat zonder de komst van buitenlanders de meeste bedrijven ten onder zouden gaan. Veel Hongaren menen dat hun land in de uitverkoop is gedaan. “We hebben dat gevoel allemaal”, zegt Kovács, “de vraag is alleen in hoeverre je dat erg moet vinden. Als je deel wilt zijn van de global economy moet je ook echt meedoen. We willen allemaal ons welvaartsniveau omhoog zien gaan”. Kovács, die inmiddels door de regering is benoemd tot hoofd van de Hongaarse Rekenkamer, geeft toe dat de Hongaren in hun onwetendheid fouten hebben gemaakt. Ze zagen de buitenlandse investeerders en het legertje adviseurs dat het land binnentrok te lang als redders in nood, die zonder eigenbelang de Hongaren kwamen helpen. “Maar we leerden al snel dat ze met zo min mogelijk moeite zo veel mogelijk geld wilden verdienen”.

In zeven jaar tijd haalde Hongarije in Midden- en Oost-Europa ruim zeventien miljard dollar aan buitenlandse investeringen binnen, meer dan Polen, dat vier keer zoveel inwoners telt, Tsjechië en de andere landen in de regio. Ongeveer de helft was afkomstig uit de verkoop van staatsbedrijven aan buitenlandse investeerders, die nu tot in alle uithoeken van de Hongaarse economie zijn doorgedrongen. Ze staken geld in de geprivatiseerde bedrijven, brachten nieuwe managementideeën en technologie mee, en hielden de meeste werknemers aan het werk, wat bij veel privatiseringsoperaties een voorwaarde was. Achteraf concluderen veel betrokkenen dat de Hongaarse methode de beste was.

In Tsjechië koos de regering voor de zogeheten voucher-privatisering, waardoor miljoenen burgers aandelen kregen in staatsbedrijven. Investeringsfondsen, nauw verbonden met de staatsbanken, beheerden de aandelen. Het leidde tot ondoorzichtige eigendomsverhoudingen. Bedrijven vermeden saneringen en kregen geen toegang tot kapitaal en nieuwe technologie uit het buitenland. De mislukte privatisering wordt nu gezien als hoofdoorzaak voor de economische crisis in Tsjechië. In Polen bracht de regering van oud-communisten uit angst voor sociale onrust vooral kleinere bedrijven aan de man. De grote staalbedrijven, de energiesector en de telecommunicatie bleven buiten schot. De centrum-rechtse Poolse regering die in oktober aantrad, is van plan de privatisering versneld door te voeren, onder verwijzing naar het Hongaarse voorbeeld.

De herstructurering die buitenlandse eigenaren in de bedrijven doorvoerden, hebben Hongarije volgens veel economen eerder gereed gemaakt voor de concurrentie op westerse markten. Na de ineenstorting van de Comecon-markten vonden Hongaarse produkten snel hun weg naar het westen. Daarnaast verbeterde het macro-economische decor door de strikte financiële en monetaire politiek van de regering-Horn. De inflatie daalde van veertig naar zestien procent, de munt, de forint, werd stapsgewijs gedevalueerd, de loonstijging bleef beperkt, en de overheidsuitgaven en staatsschuld liepen terug.

Hongarije had bovendien een redelijk ontwikkelde wetgeving voor belastingen en buitenlandse investeringen, en onder het goulash-socialisme was het land al wat gewend geraakt aan privé-initiatief in de economie. APV-directeur Kovács constateert met tevredenheid dat buitenlandse banken nu vijf tot zes keer zoveel geld bieden voor Hongaarse banken als in de begintijd van de privatisering. “Ze zien het nu tegelijk als het entreebewijs tot de Hongaarse economie. Het zegt iets over hun waardering voor de economische vooruitgang hier”.

Ivan Lipovecz, hoofdredacteur van HVG, met een oplage van 100.000 het grootste politiek-economische weekblad van het land, ziet ook negatieve effecten van de privatisering. Veel bedrijven zijn voor een appel en een ei van de hand gedaan, of onder voorwaarden die zeer nadelig bleken voor de Hongaarse staat. De koelkastenfabriek Lehel bijvoorbeeld werd voor een goede prijs verkocht aan Electrolux, maar de APV was verantwoordelijk voor de milieukosten. Die liepen zo hoog op, dat de staat uiteindelijk verlies leed op de verkoop.

“Het staatsprivatiseringsbedrijf heeft naar mijn mening niet genoeg in de gaten gehouden hoe groot het aandeel was dat buitenlandse bedrijven zich met aankopen van bedrijven in de Hongaarse economie verwierven”, meent Lipovecz. Daardoor zijn nieuwe monopolies ontstaan in bijvoorbeeld de papierindustrie, de suikerindustrie en de uitgeverijwereld. De bedoeling was het staatsmonopolie af te schaffen, en nu hebben we er een bedrijfsmonopolie voor terugggekregen”.

Lipovecz meent dat de privatisering “de wieg van de corruptie” was in Hongarije. Het summum van graaien was de 'Tocsik-affaire', die in 1996 de minister van privatisering Suchman en een deel van de APV-top de kop kostte. De advocate Marta Tocsik bleek 800 miljoen forint (ongeveer 9 miljoen gulden) te hebben ontvangen voor onderhandelingen met gemeenten over de prijs van land in privatiseringsovereenkomsten.

Een deel van dat geld zou zijn doorgesluisd naar stichtingen en bedrijven die banden hebben met de twee regeringspartijen. “Ik geloof niet dat Hongarije corrupter is dan een gemiddeld ander land, maar ik ben er zeker van dat door de privatisering het aantal corruptiezaken en de hoeveelheid geld aanzienlijk is gestegen”, aldus Lipovecz.

De verhalen over zelfverrijking, steekpenningen en het profiteursnetwerk van oude partijkameraden hebben de privatisering niet populair gemaakt bij de 'gewone' Hongaar. Maar extremistische partijen die politiek munt willen slaan uit dit sentiment en roepen dat Hongarije aan “buitenlandse wolven” is verkocht, hebben weinig succes. Kroegpraat, is het volgens Lipovecz. “De mensen die woedend zijn dat er zo veel buitenlanders komen, gaan als ze de bar hebben verlaten met hun westerse auto naar een grote westerse supermarkt om westerse waren te kopen. Vergeet niet: er is in geen enkel Hongaars bedrijf gestaakt tegen de privatisering”.

Wolters Kluwer is een van de nieuwe monopolisten waar Lipovecz op doelt. Het Nederlandse uitgeversbedrijf kocht sinds 1994 zes gerenommeerde juridische, technische en wetenschappelijke uitgeverijen, en een aantal boekhandels. Wolters Kluwer heeft nu, na een investering van vijftien miljoen gulden, ruim dertig procent van de markt in handen, en is daarmee de grootste buitenlandse uitgever in het land. Willem van Zanten, landendirecteur Centraal- en Oost-Europa bij Wolters Kluwer, noemt het verwijt dat een staatsmonopolie is vervangen door een bedrijfsmonopolie “een gezocht sentiment”. “In de westerse wereld is al twintig jaar een proces van schaalvergroting aan de gang. Monopolisering is nu eenmaal een wereldtrend, in alle sectoren van de economie. Het verschil tussen een bedrijfsmonopolie en een staatsmonopolie is nogal ingrijpend: wij moeten verantwoording afleggen aan onze klanten. Als wij een product te duur maken, springt er zo een klein Hongaars uitgeverijtje in de markt”.

Wolters Kluwer kocht uitgeverijen van het personeel, dat eerder de bedrijven voor een lage prijs had overgenomen. Maar het personeel miste de kennis en het kapitaal om de uitgeverij winstgevend te maken. De Nederlandse uitgeverij was daardoor niet gebonden aan de werkgelegenheidsgaranties van de gewone APV-privatiseringen.

Bij de wetenschappelijke uitgeverij Akademiai Kiadó, voorheen eigendom van de Academie van Wetenschappen, behaalt Wolters Kluwer nu met zestig personeelsleden dezelfde omzet als met de zevenhonderd van vroeger. “Het waren goede uitgeverijen met goede redacteuren. Maar de portfolio was volstrekt verouderd, er was absoluut geen moderne strategie, het was bedroevend. We moesten een zekere Rücksichtslosigkeit ontwikkelen. We hebben senior management vervangen, en de arbeidsproductiviteit per werknemer is verzesvoudigd. De flexibiliteit van Oosteuropeanen wordt wel eens onderschat. Reorganisaties die hier in een jaar worden doorgevoerd, kosten in Nederland drie tot vijf jaar en dat weet je nog niet zeker of je het voor elkaar krijgt”.

De staat heeft nu in de meeste sectoren van de economie de markt verlaten. Het staatsprivatiseringsbedrijf APV leeft verder als holding-maatschappij van de minderheidsbelangen die de overheid houdt in geprivatiseerde bedrijven. Hongarije begint de vruchten van de omwenteling te plukken. Het telecommunicatiebedrijf Matáv werd in november als eerste bedrijf in Midden- en Oost-Europa genoteerd aan de beurs van New York. En gerenoveerde Hongaarse bedrijven zijn op hun beurt begonnen bedrijven op te kopen in landen als Roemenië, Slowakije, Kroatië en Slovenië.

Wolters Kluwer-directeur Van Zanten: “Ik ben ervan overtuigd dat we over twintig jaar zullen vaststellen dat hier een verandering heeft plaatsgehad die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Dan kijken we erop terug als het mirakel van Oost-Europa”.