Cassiers plaatst Faust in een hels laboratorium

Voorstelling: Faust van Goethe door Het Zuidelijk Toneel. Vertalingen: C.S. Adama Scheltema en L. Vleeschouwer. Decor: Jan Versweyveld. Kostuums: Tessa Lute. Muziek: Paleis van Boem. Regie: Guy Cassiers. Spelers: Marc van Eeghem, Bart Slegers, Katelijne Verbeke e.a. Gezien 6/1 deSingel, Antwerpen. Te zien t/m 10/1 aldaar. Tournee t/m 41/3. Inl.: (040)233 36 33.

God maakt zijn handen liever niet vuil aan de Werdegang van Faust. Onaanraakbaar troont Hij boven het uitspansel van sterren en planeten. Hij laat zich bezingen door aartsengelen met kunstvleugels aan. God kijkt neer op de mens. Wat God weet, namelijk 'was die Welt im Innersten zusammenhält', dat weet Faust niet. Dat maakt hem wanhopig, deze mens op de drempel van de Middeleeuwen en de Renaissance die hals-over-kop ook nog een romanticus wil zijn.

Aan de regie van Goethe's Faust door Guy Cassiers bij het Zuidelijk Toneel zijn de dromen van hem en bewerker Bart Van den Eynde duidelijk af te lezen. Dat is mooi en verleidelijk, tegelijkertijd schuilt hierin een gevaar. Cassiers is begonnen met de ultieme leegte, niets dan speelvloer en daarin de acteurs als poppen met een stem, een lichaam. Voor deze vorm grijpt hij terug op het autobiografische gegeven dat Goethe als kind Faust voor het eerst zag in een poppenkast. Langzaam heeft Cassiers die leegte van de bühne opgevuld met uitsluitend verrijdbare decorstukken en rekwisieten. Het uitspansel bijvoorbeeld waarboven God zetelt is een rechthoekig scherm, als uit de nacht gesneden, waarop de aartsengelen lichtende sterren plaatsen. Tegelijkertijd klinkt ijle muziek: de muziek der sferen.

In deze stijl vol symbolen is de hele voorstelling gevangen. Het toneelbeeld is duister en donker, overal glanst het klinische staal van tafels en stoelen alsof de spelers zich in een hels laboratorium bevinden. Het is, aldoor, de studeerkamer van Faust, waar hij zich alle kennis der wereld tracht eigen te maken. De videocamera's zijn als hedendaagse retorten en destilleerkolven. Terwijl de acteurs of actrices spreken, verschijnt hun gezicht meer dan levensgroot op een van de schermen. We kijken niet naar hen, we hebben nauwelijks besef van hun fysieke aanwezigheid, we zien hen als gefilmde portretten.

Cassiers heeft de traditionele toneelwerkelijkheid van levende personages ingeruild tegen de virtual reality van het beeldscherm. Faust, gespeeld door Marc van Eeghem, is een meer dan ik ooit eerder zag een treuzelaar. Hij beweegt zich frêle en rusteloos over het toneel. Dolgraag wil hij met Mephistopheles het duivelspact aangaan en zijn ziel aan hem vekopen in ruil voor genot, lust en inzicht, maar zijn wanhoop met intensiteit uitspelen is hem niet vergund. Cassiers heeft alle spelers voorzien van een zendmicrofoon, zodat ze zonder enige dramatische dictie kunnen spelen. De toon is die van de declamatie. Hoewel daar onmiskenbaar rust vanuit gaat, miste ik in het spel warmte en overgave. Ground control to Major Tom - zo klinkt Goethe bij Cassiers.

Opmerkelijk is dat Mephistopheles vanuit de hoogte van het toneelhuis met luidklinkende voetstappen komt afgedaald, en niet uit de onderwereld. Bart Slegers, getooid met een lange zwarte haardos als een popzanger uit de jaren zestig, maakt van deze rol geen vileine, vuile Mephisto zoals de legendarische Duitse acteur Gustaf Grugens. Slegers wil vooral de redelijkheid van zijn duivelse voorstellen jegens Faust accentueren, maar tussen duivel en redelijkheid is het een slecht huwelijk. Toch, gaandeweg de voorstelling, wanneer de spelers uit hun gedweeheid lijken te breken, krijgen zowel Faust als Mephistopheles meer reliëf en gedrevenheid. Zeker als de achterwand als een witte schittering is, steekt daar de gestalte van Mephistopheles dreigend en zwart tegen af.

Het hoogtepunt van deze Faust is de religieuze redding voor Greetje (Katelijne Verbeke). Toegegeven, een sentimentele scène, door Cassiers echter als een visioen gebracht. De Heilige Maria, gefilmd als een ordinair Lourdes-beeldje, zweeft met een verlossende glimlach over het decor en door de zaal, zoals al eerder de zon als een lichtbol rondom ons zwierde. Het is een zeldzaam moment in deze voorstelling, waarin het ijs van de techniek en het bloed van het toneel niet met elkaar in strijd zijn maar juist samensmelten. Cassiers heeft zich in het geheel van de voorstelling helaas door die techniek, door video's en rijdende lichttoestanden, te veel laten verleiden. Al kunnen we ons nu misschien moeilijk in Faust en Mephistopheles verplaatsen, het blijft uiteindelijk een menselijke strijd. Namelijk die tegen de verlokking van het kwaad. Die menselijke inzet, wat voor mij 'des poedels kern' van Faust is, miste ik.