'Blunder van OM in zaak-Tjoelker'

De straf die is opgelegd aan de mannen die collectief Meindert Tjoelker mishandelden, heeft tot veel commotie geleid. Alsof het om fietsendieven gaat, luidt de verontwaardigde reactie van nabestaanden van het slachtoffer, dat als gevolg van de mishandeling aan zijn verwondingen bezweek. Het openbaar ministerie beging een blunder, zeggen deskundigen.

LEEUWARDEN, 7 JAN. Juristen plegen zich doorgaans niet in krachttermen uit te drukken, zeker niet in de krant. Ze zijn het over één ding eens: het openbaar ministerie in Leeuwarden heeft bij de vervolging van de verdachten die Meindert Tjoelker in september vorig jaar een fatale afranseling hebben gegeven een kolossale blunder gemaakt.

De verdachten zijn er met een relatief lichte straf vanaf gekomen, omdat justitie ze het verkeerde delict ten laste heeft gelegd. De behandelend officier van justitie, J.F. Severs, achtte de verdachten schuldig aan het “openlijk met verenigde krachten plegen van geweld tegen personen” (artikel 141 lid 1 Wetboek van strafrecht) waarop een maximale gevangenisstraf staat van 4,5 jaar. De zwaardere variant, mishandeling die tot de dood leidt waarop een straf staat van twaalf jaar, achtte Justitie niet bewezen. Het in de jurisprudentie vereiste causaal verband tussen de klappen die een verdachte uitdeelde en de dood van Tjoelker kon niet worden aangetoond.“Justitie heeft vrij mechanisch gekozen voor de traditionele wetsbepaling die in dit soort gevallen van stal wordt gehaald, maar er is een andere delictsomschrijving die het OM om onbegrijpelijke redenen niet heeft benut”, zegt een raadsheer uit het ressort Leeuwarden die anoniem wil blijven, omdat hij mogelijk in hoger beroep de zaak-Tjoelker moet behandelen.

Het OM, zo leert een rondgang langs strafrechtdeskundigen, had de verdachten eenvoudig kunnen vervolgen wegens het medeplegen van zware mishandeling die tot de dood leidde (artikel 302 lid 2 Wetboek van strafrecht). Een wetsbepaling met een maximale straf van tien jaar die bovendien door de Hoge Raad ruim wordt uitgelegd. “Als je een plan trekt om iemand te mishandelen en je maakt je niet bijtijds uit de voeten en doet gewoon mee met de vechtpartij dan ben je strafbaar aan dit delict”, aldus de raadsheer.

“Justitie had creatiever moeten omgaan met het Wetboek van strafrecht”, zegt universitair hoofddocent strafrecht J. Simmelink uit Tilburg. “Het probleem is waarschijnlijk dat het OM helemaal niet aan artikel 302 heeft gedacht. Ze zijn het gewoon vergeten”.

Het OM in Leeuwarden wil pas morgen reageren op de juridische verwijten. Vast staat evenwel, dat men in hoger beroep alsnog de tenlastelegging kan wijzigen en een hogere straf kan eisen dan de drie jaar onvoorwaardelijk die nu in eerste aanleg werd gevraagd. Een rechter kan volgens het Nederlandse strafprocesrecht nooit zelfstandig besluiten een strafbepaling toepasbaar te achten die niet in de dagvaarding staat.

Blijft natuurlijk de vraag of de raadsheren van het gerechtshof in Leeuwarden bereid zullen zijn de verdachten, zogeheten first offenders (mensen zonder strafblad), een zwaardere straf op te leggen. Volgens de voormalige Amsterdamse vice-president P.L. Michels, die vorig jaar afzwaaide na twintig jaar strafrechter te zijn geweest, is de nu opgelegde sanctie aan de lichte kant. Hij formuleert zijn commentaar voorzichtig.

“Het verbaast me dat de rechters een straf hebben opgelegd die bijna de helft lager is dan de eis. Ik vind dat je als strafrechter buitengewoon goede redenen moet opgeven om af te wijken van een eis. Zeker als je verdachten berecht die volgens de samenleving eigenlijk een straf verdienen van minimaal tien jaar. Mij is die goede motivatie voor de 'lagere' strafmaat niet gebleken”, zegt Michels.

Moet een rechter eigenlijk rekening houden met de roep om wraak die bij dit soort delicten in de samenleving klinkt? Rechter Michels vindt van wel. “We spreken recht namens de gemeenschap dus de gevoelens die in de samenleving leven moet je in belangrijke mate in je oordeel betrekken. Zeker in het huidige tijdsgewricht waarin toch de mening overheerst dat het rechterlijk apparaat meer rekening moet houden met de gevoelens en belangen van de slachtoffers.

“Natuurlijk moet je in de eerste plaats kijken naar de zwaarte van het gepleegde delict maar het is zeker zinnig in je oordeel te betrekken dat hier iemand slachtoffer werd omdat hij anderen tot de orde riep. Het was geen uit de hand gelopen dronkemansruzie”, aldus Michels.

Strafrechtgeleerde Simmelink is het niet met Michels eens. “Het is juist de taak van de rechter om afstand te nemen van vaak willekeurige verontwaardiging die de kop opsteekt. Het gaat hier om een affreus delict maar die zijn er helaas bijna elke dag”, zegt de hoofddocent. “Uiteindelijk moet een rechter streven naar rechtsgelijkheid: een straf die in lijn is met andere vonnissen”, zegt Simmelink.

Het meest recente vergelijkingsmateriaal komt wat dit betreft uit de rechtbank van Zwolle. Die achtte in oktober vorig jaar drie mannen schuldig aan het opzettelijk toebrengen van ernstig lichamelijk letsel met de dood als gevolg aan de 24-jarige Roelof Otten uit Lelystad. Een minderjarige verdachte kreeg hiervoor twee jaar jeugddetentie. Twee anderen werden conform de eis van de officier van justitie veroordeeld tot respectievelijk twee jaar gevangenisstraf waarvan één voorwaardelijk en drie jaar celstraf.