Belastingplan voor 21ste eeuw is een mislukking

De bewindslieden van Financiën hebben de mogelijkheden voor een belastingstelsel in de 21ste eeuw verkend in een nota die Flip de Kam in deze krant kwalificeerde als een “mager, tamelijk inconsistent stuk dat onvoldoende antwoord geeft op de uitdagingen”. De Kam weet waar hij over spreekt want hij heeft lange tijd schouder aan schouder met staatssecretaris Willem Vermeend (Financiën) aan de verkenning gewerkt, zo goed als hij ook deelnam aan eerdere onderzoeken onder leiding van Koen Oort (1986) en Willem Stevens (1991).

Maar hoewel zijn artikel terechte kritiek levert op de kabinetsplannen, ontbreekt ook bij De Kam het antwoord op de uitdagingen van de komende eeuw.

Laat ik voorop stellen dat het kabinet één revolutionair idee presenteert: het belasten van de vermogensinkomsten via een geheel nieuwe heffing: de vermogensrendementsheffing. Grof gezegd komt die neer op een verhoging van de huidige vermogensbelasting van 0,7 (in 1998) naar 1 procent, onder het gelijktijdige schrappen van de bestaande en politiek wenselijk geachte heffingen over rente, dividend en vermogenswinst. Deze heffing van 1 procent van de waarde van het vermogen, ontstaat door een tarief van 25 procent toe te passen op een verondersteld rendement van het vermogen van vier procent. Dat tarief van 25 procent is gelijk aan het al bestaande tarief voor groot-aandeelhouders die hun bedrijf verkopen of er geld uithalen.

Naar mijn vaste overtuiging heeft Willem Vermeend in eerste instantie (toen Flip de Kam nog meewerkte) ook voor de arbeidsinkomsten een dergelijk laag tarief voor ogen gehad. Dat is niet vreemd want de gemiddelde druk van de loon- en inkomstenbelasting op de particuliere inkomens is ongeveer 23 procent. We hebben echter geen belastingtarief van 23 procent omdat grote delen van die inkomsten feitelijk belastingvrij zijn. Niet veel meer dan 60 procent van de lonen wordt daadwerkelijk in de belastingheffing betrokken - de rest is op een of andere manier fiscaal onaantastbaar gemaakt, bijvoorbeeld door belastingvrije sommen, de spaarloonregeling en extra aftrek voor werkenden of ouderen.

Het kabinet-Kok is meer dan zijn voorgangers verantwoordelijk voor deze gigantische uitholling van de belastinggrondslag. Van de 90 miljard gulden belastingderving door fiscale uitzonderingen, komt 25 miljard op het conto van Zalm en Vermeend. Hun mislukking bestaat eruit dat ze geen kans zien dat geld vrij te maken voor een forse tariefverlaging. Daardoor kan het tarief voor de belastingheffing op arbeid ook de volgend eeuw ondanks miljarden aan smeergeld en een BTW-verhoging, nog oplopen tot 58 procent. Hoog genoeg voor Flip de Kam om te voorspellen dat degenen die dat betalen dom of eerlijk moeten zijn. En verbijsterend hoog als men leest hoe de bewindslieden zelf in hun verkenning aankijken tegen een uniform laag tarief: “Een tariefstructuur met vlakkere en lagere tarieven heeft voordelen: het verbetert de werking van de arbeids- en kapitaalmarkt, is internationaal concurrerend en lokt minder uit tot (tarief)arbitrage, waardoor het stelsel aan robuustheid wint. Toch kleven hieraan ook nadelen. Zo zal het fiscale stelsel als beleids- en inkomenspolitiek instrument aan kracht verliezen.”

Aan het slot van hun verhaal komt de aap uit de mouw. De mooie aftrekposten waardoor we overgeleverd blijven aan de hoge tarieven, zijn het politieke speeltje. Merkwaardig om zoiets te lezen in een stuk waarvoor een minister van Financiën van VVD-huize verantwoordelijkheid neemt. Hoe maakbaar is deze maatschappij volgens hem? Zijn we niet veel beter af met lage tarieven en minder politieke manipulatie?

Als Zalm en Vermeend van hun instrumentalisme afstand zouden doen, zou een 'vlaktaks' binnen bereik komen. Als men de loonbelasting met instandhouding van de huidige nettolonen omvormt tot een werkgeversbelasting met een vast tarief, zouden zich nauwelijks inkomenseffecten voordoen. Bij het lagere tarief, kan de fiscale aftrek voor oudedagsvoorzieningen vervallen, waardoor het tarief verder omlaag kan. En tegenover dit verlies van een aftrekpost staat dan dat de latere pensioenuitkeringen voortaan onbelast blijven. De 'bruto-uitkering' wordt een 'netto-uitkering'. De fiscus kan dit verrekenen met de pensioenmaatschappijen, waarna we uitkomen op een 'vlaktaks' van 25 procent.

Uit het compensatiebedrag van de pensioenmaaatschappijen zou de helft van de staatsschuld kunnen worden afgelost en de rentebesparing die dat oplevert, is voldoende voor het langdurig compenseren van de negatieve inkomenseffecten die optreden bij onder meer huizenbezitters.

Waarom gaat het kabinet nauwelijks in op de mogelijkheden van een dergelijke vlaktaks? Dat was toch een van de stokpaardjes van D66? Nu blijft alles, afgezien van de vermogensrendementsheffing zo'n beetje bij het oude. Dat is niet de goede geest om de komende eeuw mee in te gaan.