Zonneklaar Grieks; De taal leren in het land zelf

Wie graag naar Griekenland gaat en er genoeg van heeft om in gebrekkig Engels te woord gestaan te worden kan een cursus volgen op Kreta. Dertien leerlustige vrouwen en een dito man brengen het geleerde in praktijk.

Petrolakis Supermarket! Handig, modern, nieuw! Voor al uw boodschappen! Waar u altijd vindt wat u wilt hebben! Wij hebben verse groenten, brood, kaas! Petrolakis Supermarket! U doet boodschappen tegen de laagste prijzen en profiteert van de beste aanbiedingen! Bij u in de buurt! Voor al uw boodschappen!

Nadat ook het opgewonden muziekje is verklonken, zet de lerares het bandje stil. “Dat was wel een duidelijke hè”, zegt ze. De cursisten knikken. Zonneklaar was deze. Fijn. Eindelijk eens iets dat helemaal te begrijpen was. Een nieuwe jingle en weer is een overdreven woordrijke reclameboodschap te horen waaruit slechts het woord 'rubber' en een sterk wervende intonatie duidelijk opklinken. Zeven gezichten kijken vragend. Het lijkt ineens van het hoogste belang om deze woorden op te vangen, alsof er iets belangrijks verloren zou gaan als we niet zouden begrijpen welke waren deze Griekse heer heeft willen aanprijzen. Maar we weten het niet. Hij sprak in raadselen.

Wie Grieks wil leren is bijna altijd iemand die graag naar Griekenland gaat en die er genoeg van krijgt om louter in gebrekkig Engels of onbegrepen Grieks te woord gestaan te worden. Al die avonden waarop men na een hartelijke uitnodiging onhandig aan een tafel druk pratende mensen zit, voortdurend het glas heffend onder het uitroepen van 'ja sas!' (proost) maar verder geheel met de mond vol tanden - dat is op den duur niet plezierig. Daar wil men vanaf. Of de ontmoetingen in kleine dorpjes met oude vrouwtjes die geen woord buitenlands spreken en aan wie je niet eens de weg kan vragen die je toch zo dolgraag zou willen weten. En al de Griekse liederen waaruit na enige tijd hooguit de klank 'sagapo' (ik hou van je) regelmatig opdoemt, terwijl kenners duidelijk maken dat het in het échte Griekse lied om heel andere gevoelens gaat - al zulke overwegingen en nog meer, kunnen ertoe leiden dat men besluit nu dan eindelijk eens Grieks te gaan leren. En wat is er prettiger dan om, als eenmaal het alfabet onder de knie is en de eerste houterige zinnetjes een zekere vlotheid hebben verworven, het prille Grieks te gaan vervolmaken in het land zelf?

De Zomerschool Korfoe organiseert al tien jaar cursussen van aanvankelijk drie, nu twee weken. “'s Ochtends vinden de lessen plaats, 's middag is er volop gelegenheid het geleerde in praktijk te brengen in een prettige en ontspannen sfeer”, belooft de Zomerschool. Anders dan de naam suggereert is de school ook wel in voor- en najaar actief, en ook wel eens op Kreta, in het kleine, nogal lelijke, maar aantrekkelijk aan zee gelegen gehucht Mirtos.

Daar, in de tuin van het met bloemen overdekte Hotel Esperides, zitten op een van de laatste dagen van september dertien leerlustige vrouwen en een dito man, te luisteren naar de excursiemogelijkheden die de zomerschool naast het lesprogramma in de aanbieding heeft. De sportieve blonde jongen die met enthousiasme praat over een 'pittige fietstocht' die men eventueel zou kunnen doen voor men begint aan een wandeling door een kloof die hij 'helemaal niet echt moeilijk' noemt, slechts met 'een beetje klauteren', heeft niet helemaal in de gaten wat voor publiek hij tegenover zich heeft. De meeste vrouwen zijn de vijftig ruim gepasseerd, en hoewel ze heus niet flauw zijn, zijn ze niet echt gekomen om op fietsen over de Kretenzische bergen te zweten. Niemand schrijft zich in voor de fietstocht. Maar de kloofwandeling wil men wel aangaan. Het gaat om een kleine kloof, tamelijk dichtbij Mirtos, niet om de grote, onder toeristen beroemde Samariakloof. Verder zal er nog een keer een barbecue zijn, bij het zwembad van het hotel, met levende Griekse muziek. Sommige dames vragen zich voorzichtig verheugd af of daar misschien ook dansmogelijkheden zouden zijn. Ze nemen een slokje van hun ouzo en spreken verlangend over de 'kalamatianos' die ze wel zouden aandurven, eventueel. Een van hen probeert giechelend alvast een pasje. Sommigen kennen elkaar al lang, uit Nederland of van eerdere cursussen, anderen moeten iedereen nog leren kennen. De ouzo, de aanstaande gezamenlijke excursies en, even later, Jannis die met een gitaar op het terras komt zitten en begint te zingen, maken het kennismaken eenvoudig. Vals en uitbundig brult of humt iedereen mee met het bekende lied 'To kokkino foestani' (Het rode rokje) waarin nog helemaal niet zulke makkelijke uithalen zitten. Het wordt donker. De sfeer is, helemaal zoals beloofd, prettig en ontspannen.

Om negen uur 's ochtends verdelen de cursisten zich in twee groepen. De ene zal les krijgen op 'niveau twee' - “U hebt een basiskennis van het Grieks, u kunt een eenvoudig gesprekje voeren. U hebt enig inzicht in de grammatica en een woordenschat van plm. 500 woorden” - de andere op 'niveau drie' - “In het algemeen kunt u in een persoonlijk gesprek de ander verstaan, maar u blijft lacunes ervaren in uw kennis”. Niveau twee krijgt les van een Nederlandse, niveau drie van een Griekse die het Nederlands ook beheerst.

De 'gevorderden' moeten eerst maar eens vertellen hoe zij hun zomer hebben doorgebracht. Aarzelende zinnen gewagen van vakanties op de Pilion, van warme dagen in Athene, van stoer doorwerken tijdens de hete Hollandse augustus. Soms klinken er zinnen als: “Ik vergat de dag dat ik wegging”. “Begrijpen jullie wat zij heeft gezegd?”. Nee dat begrijpen wij niet helemaal, en met enige moeite wordt het Grieks zo gekneed en geduwd dat de woorden gaan betekenen: “Ik was vergeten welke dag ik zou vertrekken”.

De zon schijnt door de bladeren en werpt gespikkelde schaduw op de schriften en boeken, ('luipaardlicht' noemt Derek Walcott dat in zijn Omeros) het is stil, in de verte liggen de Kretenzische bergen rustig te liggen. De lacunes in onze kennis, die wij zo hinderlijk vonden dat we er voor op cursus wilden, zijn ineens onze beste vrienden.

Dankzij hen zijn we hier en al wat we willen is hier zitten, onze gebrekkige zinnen mompelen, luisteren naar de volmaakt vloeiende taal van lerares Irini en brave, ijverige leerlingen zijn die onbekende woordjes opschrijven en zich voornemen die vanmiddag ook inderdaad te leren. Het leven is ineens verrassend doelbewust en overzichtelijk.

Pagina 31: “En het was daar”, vertaalt een cursiste aarzelend uit het boek De kiosk, over een jongetje dat uit zijn dorp naar Athene komt waar hij bij zijn grote broers en zus gaat wonen “dat ik eraan wende om te slapen...” “Ho, niet 'slapen' maar...” “O: dat ik eraan wende om wakker te worden, zonder eh..., het geblaf van de hond, het eh... geroep?” “Gezang.” “Van eh... 'kokora', eh ...papegaaien?” Ze wordt hartelijk uitgelachen door de anderen die, omdat het niet de eigen beurt is, heel precies weten dat er geen papegaaien op de Peloponesos leven en dat 's ochtends hanengekraai aannemelijker is. Maar zodra is men zelf aan het hakkelen onder het luisterend oor van 'to group' of alle ooit aanwezige kennis verdwijnt als sneeuw voor de zon, en het daarnet nog zo eenvoudige verhaal lijkt nu ineens uit louter onbekende woorden te bestaan. Iedereen treft elke keer nu juist precies dat ene moeilijke stukje.

In de smalle, door een klein riviertje in miljoenen jaren in de rotsen uitgeslepen kloof hoeft even geen Grieks gesproken te worden, al wil iedereen natuurlijk wel het woord 'kloof' ter beschikking hebben. 'Farangi' hoor je steeds weer mompelen, 'farangi'. Voorzien van stevige schoenen, rugzakken met water en extra truitjes stappen we welgemoed achter Derio Buunk aan, de overmoedige jongeman die ons de weg zal wijzen tussen de enorme rotsblokken en waterpoelen door. Hij heeft zelf geen enkele maatregel genomen om deze tocht te kunnen doorstaan, op blote voeten, gekleed in een afgeknipte spijkerbroek en gewapend met niet meer dan een pakje shag stapt hij de natuur in. Dat het dus wel zal meevallen, concluderen wij. Met vereende krachten hijsen we elkaar over hoge rotsen, duwen elkaar omhoog door tunnelachtige gaten (“Ja dit is het pad hoor!” beweert Derio) en overbruggen royale afstanden tussen stenen. Tot de plek waar geen droge doorgang meer is. We waden. Tot de plek waar het water tot borsthoogte reikt en de rotswand schuin en heel glad is. Hoe nu. Een enkeling manoeuvreert zich toch langs de gladde rotswand. Anderen trekken zoveel uit als het fatsoen toestaat, gooien hun spullen naar degenen die al aan de overzijde zijn en kiezen de waterroute. Het is een mooi gezicht, de statig wadende vrouwen die als weelderige zeemeerminnen boven de rotsen verschijnen.

Maar er is er een die zich vergist. Ze wil niet in het water, maar ze slaagt niet op de rotswand waar ze ineens hulpeloos aan bungelt, niet in staat om nog voor- of achteruit te gaan. Nu moet dappere Derio laten zien dat hij deze excursie volledig onder controle heeft. Hij grijpt de frêle psychologe-met-VUT vast en probeert haar over het moeilijke punt heen te trekken. Dat lukt niet, ze verliest nu alle houvast en hangt alleen nog maar aan zijn handen. De rest van de groep staat zo ademloos te kijken alsof dit alles zich op onmetelijke hoogte afspeelde boven een duizelingwekkend ravijn, in plaats van op een niet al te hoge rotswand boven een voldoende diep watertje.

We zien hoe Derio zijn spieren spant, we roepen aanmoedigende dingen, we durven bijna niet te kijken...

Het lukt.

“Toen mijn grootmoeder zo oud was als ik nu zat ze bij de haard en breide zwarte kousen. Maar ik lig in de armen van een jonge man!” zegt de vers geredde met stralende ogen.

De rest van de tocht is na deze hindernis een makkie. Het heeft enorm verbindend gewerkt stellen we vast. We zijn nu een groep-met-een-geschiedenis. De geschiedenis van de kloof. To farangi.

Met de groep in het naburige, zeer lelijke stadje Ierapetra, waar nog de resten van een Turkse moskee verscholen moeten zijn in een zo op het oog niet-bestaand ouder gedeelte. “Weet u misschien waar de oude stad begint?” vraagt een van ons in het na een week al veel soepeler tevoorschijnkomende Grieks aan een inwoonster. “Sprechen Sie Deutsch?” antwoordt de vrouw die blijkbaar in het geheel niet in de gaten heeft gehad dat de wat gutturale klanken die ze hoorde wel degelijk van Griekse woorden afkomstig waren. Wij vinden dat, solidair, een botte, door het toerisme geheel verpeste Griekse. Al mompelen sommigen zachtjes tegen elkaar dat het geen wonder is 'met háár accent'. “En als je nu eens iemand uit wil schelden in het Grieks, wat zeg je dan?” vraagt een cursiste die geregeld langere tijd in Griekenland doorbrengt. Irini komt voorzichtig met een paar scheldwoorden, voorzien van aanwijzingen over wanneer te gebruiken (eigenlijk in het geheel niet en als buitenlander zeker niet), maar de ergste krijgt ze niet over haar lippen. Als een van de cursisten die hele erge wel blijkt te weten en hem voorzichtig zegt, als het ware tussen aanhalingstekens, legt Irini nog verschrikt de vinger op haar lippen. “Dat moet je nóóit zeggen”, benadrukt ze. Ze haalt een beetje gegeneerd op hoe ooit een leerlinge vroeg: “Stel ik moet naar de gynaecoloog hier, wat zeg ik dan?” duidelijk in de hoop nu eindelijk eens sommige lichaamsdelen in het Grieks te kunnen benoemen. “Dan zeg je niets”, had Irini gezegd, “hij begrijpt heus wel waarvoor je komt.”

De middagen liggen de cursisten aan zee, op stretchers, voorzien van leerboeken en schriften, van tomaten en olijven. Een enkeling leert braaf woordjes, een ander zwemt rond in de schitterig blauwe zee, een derde ligt met gesloten ogen te luistern naar het klotsen van de golven, het gedempt klinkende geroep van een paar Grieken in de verte, het geknars van de kiezels als het water eroverheen schuurt. De middagen zijn uitgestrekt en helverlicht, of je nu op een terrasje aan de kleine boulevard zit met een glaasje retsina of langs de lange weg loopt die langs kassen en rotswanden eigenlijk naar niets in het bijzonder voert, of naar de stad gaat of maar wat op het hotelbalkon staart in de lauwe lucht van de late zomer. Er heerst een wonderlijke rust in deze tijd van het jaar, alles is er nog, maar het is al bijna weg, alsof de wereld nog even oplicht voor straks de serieuze herfst en winter met grauwe luchten en stormen het witte dorp in een armoedig en verlaten gehucht zullen veranderen.

De laatste ochtend wordt besloten met muziek, van Jorgos Dalaras, de populairste en mooiste mannenstem van Griekenland. Het is het middaguur, de zon staat zo hoog als hij kan, de warmte valt in plekken zonlicht door de platanen. Heel helder klinken harmonika en bouzouki op en de volle stem van Dalaras zingt eindeloos weemoedig over de herfst en dat de regens beginnen en wat we hier nog zitten te kwijnen, te zoeken 'naar nieuwe gebeden'. Ach en wat is dat toch dat de muziek geen enkel geheim meer voor ons lijkt te hebben maar regelrecht tot het hart spreekt. Daar zit een ontroerde groep.

“Nu hebben we alles gehad”, zegt Irini als het afgelopen is en ze haar tranen gedroogd heeft. “We hebben gelachen en we hebben gehuild.”