Wisselende stemming

IN DE DONKERE dagen voor kerst - het kan geen toeval zijn geweest - blijkt minister Sorgdrager (Justitie) alsnog akkoord te zijn gegaan met deals met criminelen. De meest uitgesproken vorm daarvan, de kroongetuige, is nu net door zowel het openbaar ministerie als de verdediging scherp ter discussie gesteld in de hoger-beroepszaak van Johan V. alias de Hakkelaar wegens grootscheepse drugshandel.

In november gaf Sorgdrager nog te kennen dat zij, alles afwegende, onoverkomelijke bezwaren had tegen een wettelijke erkenning van de kroongetuige. Wat zij dan nu wèl wil, is niet duidelijk.

Deze onduidelijkheid is typerend voor de aanpak van de IRT-erfenis door Sorgdrager die, overigens ook na de nodige aarzeling, te kennen heeft gegeven een tweede ambtsperiode te ambiëren om haar karwei af te maken. Het is een schrale troost dat ook Kamerleden onderhevig zijn aan wisselende stemmingen als het gaat om de normering van de opsporingsmethoden. De noodzaak daarvan werd krachtig aan het licht gesteld door een parlementaire enquête onder leiding van het onlangs bij een verkeersongeluk tragisch om het leven gekomen Kamerlid Van Traa.

Deze hield zijn collega's voor dat zij zelf in het verleden hun kritische functie ten aanzien van politiemethoden om politieke redenen wel wat gemakkelijk hadden opgevat. Zo werd er aanvankelijk nauwelijks bezwaar gemaakt tegen het verregaande voorstel het gebruik van moderne richtmicrofoons tegen woonhuizen door de politie toe te staan. Na de enquête-Van Traa leek dat soort paardenmiddelen van de baan. Maar na een werkbezoek aan New York leken Kamerleden onlangs toch weer gewonnen voor deze terecht omstreden methode.

Sorgdrager heeft al direct een slag om de arm gehouden in de normeringsoperatie. Een rode draad in haar uitvoerige reactie op de beslispunten van de enquêtecommissie was dat “het kabinet een voorbehoud maakt met betrekking tot de precieze wettelijke uitwerking”. Deze reserve is bewaarheid in het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB).

HOEVER STAAT de strafvordering van morgen af van de strafvordering van eergisteren? Zal de nieuwe wet de normeringscrisis in de opsporing werkelijk bezweren, vraagt het tijdschrift voor strafrecht Delikt en Delinkwent zich af in een uitvoerig themanummer. De slotsom van de geleerde beschouwingen is niet onverdeeld geruststellend: “Gedeeltelijk zal zeker van enige demping sprake zijn. De discutabele technieken van observatie en infiltratie krijgen ex post het fiat van de wetgever. Maar natuurlijk is daarmee het laatste woord nog niet gezegd.”

Tot de vraagpunten die in Delikt en Delinkwent worden opgeworpen behoren het gemak waarmee de rechter zogeheten kleine inbreuken op de privacy door de politie blijft toestaan. Maar er is ook twijfel of het nieuwe wettelijke raamwerk voldoende recht doet aan een klassiek rechtsbeginsel als “cogitationis poenam nemo patitur”: het strafrecht behoort niet te worden ingezet tegen het maken van plannen. Eerder werd er al op gewezen dat de term “georganiseerde criminaliteit” wel erg wordt opgerekt.

De grote vraag is wat er eigenlijk overblijft van het serieuze signaal van Van Traa cum suis over de discutabele politiemethoden dat aanvankelijk zo van harte leek te worden overgenomen door minister Sorgdrager: “Op dit gebied zijn de juiste proporties tussen doel en middelen uit het oog verloren.”

DE DAADWERKELIJKE normering van politiemethoden is een moeilijk afwegingsproces. Alles afwegende dient echter niet uit het oog te worden verloren dat de politie alleen luistert naar duidelijke signalen. Dat betekent dat de rechter het moet opbrengen om een op zichzelf verdienstelijke strafzaak ongeldig te verklaren wegens de gebruikte methoden. En dat kan alleen wanneer de wetgever een aantal duidelijke grenspalen slaat.