Voorstelling met hoog therapeutisch gehalte

Voorstelling: Amoebe door Space. Idee en muziek: Luc van Loo; decor en kostuums: John Lippens; spelers: Pètra Ardai, Ariëlle Brouwer, Corinna Chardon e.a. Gezien 3/1 Westergasfabriek, Amsterdam. Aldaar t/m 18/1. Aanvang 21u. Inl.: (020) 428 53 12.

“Wij zijn misdadigers. Kleine criminelen, moordenaars. We verraden onze vrienden, jatten alles wat ons voor de voeten komt.” Dat is raak, dacht ik bij het lezen van deze wervende combinatie van Céline en Thomas Bernhard op de uitnodiging voor de voorstelling Amoebe door het gezelschap Space. Hier is een toneelavond in aantocht met agressie en durf, met misschien niet meteen een eigen stem. Maar toch.

De voorstelling werd anders. De inzet was van een hoog therapeutisch gehalte, alsof het aloude Werktheater weer herleefde maar dan op het moordende ritme van hedendaagse muziek uit de stadsjungle. En in de gevoelige kwetsbaarheid van de teksten meende ik de new-wave te herkennen van Oibibio. De vijf acteurs, allen gekleed in dezelfde zwart-wit sportkledij, vertellen bij aanvang dat ze gereinigd willen worden van het alledaagse vuil van het leven, van hun frustraties, onrust en pijn. Daarna verdwijnen ze achter een doorzichtig gazen gordijn en vechten ze hun trauma's uit.

De angst van de een is gejend en gepest te worden, en uiteindelijk wordt ze door schooljongens die tàk-tàk-tàk doen neergeschoten. Een actrice danst naakt met een trommel rond. Wat wil ze? “Seks,” roepen de anderen in koor. Nee, puurheid, ze wil zich geven, weerloos, bloot. Intussen roffelt ze zohardhandig op de trom dat je liever wegrent dan haar te stade komt. Een derde actrice (er zijn vier speelsters en een acteur) is verkleed als een Volendams vismeisje, maar ze voelt zich miskend. Zij is Kniertje in de dop.

Na dit rondje belijdenis van leed volgt de verlossing; de spelers voelen zich bevrijd en geven ons, publiek, het idee dat wij daarvoor zorgden. Tot slot verkleden ze zich en ja hoor, ze gaan herboren dansend en zwierend een nieuw leven tegemoet.

De voorstelling houdt het midden tussen bewegings- en teksttheater. De dramatische lijn is minimaal: bevrijding van zielepijn door het uitschreeuwen hiervan op het podium. Daardoor is Amoebe ook uiterst egocentrisch. De acteurs zijn er voor elkaar en met elkaar. Ondanks de bittere Glühwein die de toeschouwers na afloop geserveerd krijgen, blijft de toeschouwer een eenzaam klankbord. Hier en daar gloeit gelukkig de humor en onstaat er de noodzakelijke distantie, ik had daarvan meer gewild. De larmoyantie is overheersend waar ik montere opgewektheid verwachtte, juist dat raadsel van monterheid en wanhoop van Céline of Bernhard. De denkfout die aan Amoebe ten grondslag ligt is dat een voorstelling altijd een open vorm moet bezitten voor de fantasie van de toeschouwer, en voor alles dient te voorkomen dat de spelers een fijne tijd vol blitse improvisaties in het repetitieproces achter de rug hebben. Waarvan wij dan getuige moeten zijn.