Piet Hein Eek (30)

Henk Stallinga, Piet Hein Eek en Richard Hutten zijn drie jonge succesvolle ontwerpers. Hun ontwerpen zijn te zien in toonaangevende designbladen en musea. Ze houden de productie en distributie in eigen beheer. 'We zijn inmiddels een voorbeeld voor de generatie na ons', meent het drietal.

Elektrische zagen zingen luidkeels. De radio vult met arbeidsvitamine-achtige klanken de tweede partij in. Posters van naakte vrouwen bij de toiletten maken het geheel af.

Hier, in een hal van de voormalige Bruynzeelfabriek in Geldrop, worden onder meer schroothoutkasten gemaakt. Ze kosten meer dan 4.000 gulden, maar dan heb je ook een echte 'Eek' in huis. “We maken er nauwelijks winst op, zoveel arbeidsuren zitten erin”, zegt Piet Hein Eek, die zojuist zijn oude Mercedes-station de 'fabriek' heeft binnengereden.

Binnen vijf minuten dringt de conclusie zich op: deze rad pratende jongeman in slobbertrui, die nog een blauwe maandag heeft overwogen om economie te gaan studeren, weet wat hij wil.

“Het gaat mij om onafhankelijkheid en om een bestaansrecht op te bouwen voor mijn creativiteit. Ik heb daarvoor twee bedrijven. De eenmanszaak is er voor het vrije werk: de schroothoutkasten en het deurkastenproject, dat onlangs in het Amsterdamse Stedelijk Museum te zien is geweest. De VOF Eek en Ruijgrok, met zes mensen in vaste dienst, is verantwoordelijk voor de serieproductie. Die varieert van tafels, stoelen en bureaus tot lampen en fotolijstjes. Alles gaat wel onder één naam de deur uit: mijn naam. De reden is simpel. Ik krijg nogal wat publiciteit met mijn projecten. Iedere keer dat mijn naam valt, maak ik tegelijk reclame voor de zaak. Mijn mede-vennoot, grafisch ontwerper Nob Ruijgrok, voelt zich hierdoor niet miskend. Onze samenwerking wordt met de jaren juist steeds beter.

“Met de zaken gaat het ten minste net zo goed. De omzet ligt dik boven de miljoen en binnenkort betrekken we een nieuwe, dertienhonderd vierkante meter grote ruimte, pal achter de huidige werkplaats. Er staat al voor tweeëneenhalve ton aan nieuwe machines, waaronder een computergestuurde zetbank. De bank keek even vreemd op, omdat het machines zijn voor zware productiebedrijven. Maar ik heb ze ervan kunnen overtuigen dat ze hun geld dubbel en dwars gaan opleveren.

“De nieuwe werkplaats markeert het eindpunt van een traject dat vijf jaar geleden, na mijn afstuderen aan de Academie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven, is begonnen. Mijn geheim? Weken van honderd uur werken tegen omgerekend een tarief van een gulden per uur, vrienden en bekenden inschakelen en investeren, blijven investeren. En ik heb nooit te klagen gehad over publiciteit. Daarvoor zorgde galeriehouder Rob Malasch. Hij kende alle kunstbladen en kon zo mijn schroothoutkasten, die ik 'een statement tegen al te gladde perfectie' noemde, in de kunstwereld lanceren. Aangezien ik mijn contacten bij de woonbladen had, snoepte ik wat publiciteit betreft van twee walletjes. Rob was daarentegen absoluut niet zakelijk - maar zoiets als Henk Stallinga is overkomen, gebeurt mij niet. Ik heb er dan ook voor gezorgd dat ik er zonder verlies ben uitgekomen.

“Daarna was niets makkelijker en verleidelijker geweest dan op de ingeslagen weg verder te gaan en nog veel meer schroothoutkasten te maken. Maar dat wil ik niet. Zelfs een minimalist heeft volgens mij wel eens zin om een bloemetjesbehang te maken. Als hij het niet doet, is dat niet uit idealisme, maar uit commerciële motieven. Ik wil mijn statements blijven maken, zonder vast te zitten aan een stijl of een maniertje. Het is dus mogelijk dat ik een keer een minimalistische, archetypische tafel maak. Sterker nog, zo'n tafel heb ik al eens gemaakt, toen ik wat hout over hield. Die tafel lijkt op archetypische tafels van andere ontwerpers. Logisch, maar dat noem ik geen plagiaat, want niemand heeft het alleenrecht op archetypische tafels. En dan nog, mijn aluminium stoeltje wordt nu op alle academies gekopieerd. Ik zie dat liever als 'geïnspireerd door'.

“Nooit geweten dat ze mij de nieuwe Pastoe noemen. Onzin. Pastoe kon in de jaren tachtig groot worden omdat er toen nog één grote markt was. Nu is die markt in kleine delen uit elkaar gevallen. En daarvan wil ik wel mijn deeltje hebben, ja, dat wel. Als ik me toch aan iemand moet spiegelen, dan aan Jan des Bouvrie. Daarbij gaat het ook om een naam die door een commercieel apparaat wordt verkocht. Alleen is Des Bouvrie, zoals hij zelf zegt, tevreden met zesjes. Anders heeft hij geen grote doelgroep. Zo nu en dan stelt hij zich een zeven als doel, om te laten zien dat hij het wel kan. Ik heb een kleinere, extremere doelgroep en mik daarom voor mijn serieproducten op ten minste een zeven. De tienen bewaar ik voor mijn vrije werk, waaruit later weer mijn seriewerk ontstaat. Een aardige bijkomstigheid is dat het artistieke vrije werk soms ook nog eens commercieel leuk uitpakt. Neem mijn laatste project: volledig ingerichte tuinhuizen met verschillende thema's. Ze kosten ten minste 15.000 gulden, maar ik heb er al drie verkocht, waarvan één aan Paul de Leeuw.

“En dit succes zou ik te danken hebben aan mijn schoonvader en zijn geld? Hij is pas overleden. Ik kom uit een beschermd onderwijzersgezin - mijn schoonvader was autohandelaar en het enige wat ik van hem heb gekregen zijn wijze levenslessen. Zelfs die oude Mercedes heb ik tegen inkoopprijs van hem gekocht. En nu moet ik weg, naar een woonbeurs.”

Het nette pak gaat mee, op een hangertje achterin. Even verderop staat hij al weer stil. Met een lekke band. “Dat komt ervan als je alles van je schoonvader krijgt.”