Met een spons de dag door; Kanoën is geen macho sport

Kanoërs begeven zich op sloten en vaarten, wijde meren en smalle slootjes. Maar de klassieke kanotocht is het afvaren van de Donau, 3.000 kilometer in twaalf weken.

Een kanoër is altijd een beetje belachelijk - een half mens in het water die op kniehoogte de weg vraagt en ternauwernood zijn evenwicht weet te bewaren. Hij is ook vaak een beetje nat - niet omdat hij zo dicht bij het water zit, maar van het druipwater van zijn peddels die beurtelings boven hem uit steken. En even echt belachelijk is de kanoër bij het in- en uitstappen als hij met een naar binnen gekeerde blik zijn evenwicht moet vinden.

Nee, kanoën is geen macho sport, al doen foto's in de survivalwinkel anders geloven: foto's van gehelmde mannen die worstelen in bruisende beken. Maar dat is wildwaterkanoën - bruisende beken heb je niet in Nederland. Kanoën is hier tochtjes maken door sloten en vaarten met af en toe een meer of een plas. Dat is niet wild, dat is juist rustig. De kanoër zoekt vooral gebieden op die de meeste Nederlanders alleen kennen van winterse schaatstochten. Hij vaart door rietvelden, langs achtertuintjes, onder lage bruggetjes, over wijde meren en door smalle slootjes.

Het is een wereld die vaak erg mooi is, soms avontuurlijk en meestal stil. Want de kanoër hoeft zijn vaarwater niet te delen met beroepsvaart of met motorbootjes. Ook in water van enkele decimeters diep kun je kanoën, al is het water daar vaak zwart en gaat het peddelen wat zwaarder. En waar het water zelfs helemaal ophoudt door een dam of een dijk, daar kan hij de kano eenvoudig overdragen - het klûnen van de kanoër dat hem door geen enkele watersporter wordt nagedaan. In je eentje kun je een lege kano een stukje overdragen en met zijn tweeën een zwaar beladen kano, geen enkele probleem.

Een dagje kanoën was vroeger iets dat je dicht bij huis deed. Maar met de opkomst van de autoimperiaal en de polyester kano's is dat radicaal veranderd. Bij mooi weer de kano het dak op, brood en thermoskan mee, een leuke tocht uitgezocht, de boot het water in en peddelen maar. Meestal vaart de beginner een rondje van een kilometer of twintig. Op stromend water valt het niet mee om terug te keren. Je laat je dan meestal ophalen met de auto - er is altijd wel een bestuurder die de dag liever cultureel doorbrengt.

De ANWB heeft voor leden een kosteloos foldertje uitgebracht met twintig van zulke kanoroutes door de Benelux. Uitgebreider is het boekje 'Kanotochten door Nederland' van Jan Eggens (Uitg. Hollandia) waarin 120 routes beschreven staan. Met een spons, een waterdichte jas en wat reservekleren in een dichtgebonden vuilniszak (omslaan kan altijd), kom je de dag wel door.

Maar een vakantie met de kano is wat minder vrijblijvend. Dan moet er bepakking mee, tent, slaapzak, reservekleren en eten. Het is opmerkelijk hoeveel bagage in een kano kan, terwijl je in snelheid nauwelijks hoeft in te leveren. Zeekanoërs nemen soms wel voor een week eten en drinken mee. De kano ligt dan wel wat dieper, maar dat vaart vaak niet eens onprettig. Het is wel een hele kluif om zo'n geladen boot met zijn tweeën te tillen.

Een kanovakantie is vooral aardig als je de beschaafde wereld een tijdje achter je kunt laten. Dat kan in Zweden, waar je overal vrij mag kamperen, langs stille Europese rivieren, zoals Loire, Donau, Weser, Elbe, Werra, Fulda, Ems en nog vele andere. Met een beetje uitkijken kun je daar ook heel goed wild kamperen. Rivieren met beroepsscheepvaart, zoals Nederrijn, IJssel, Moezel, Main en Neckar vereisen wat ervaring, maar zijn ook goed te doen. De Duitse Rijn, de Waal en de waterwegen rond Rotterdam zijn af te raden voor kano's - daar is de scheepvaart echt te gevaarlijk.

Bij vakantietochten door Nederland is het grote probleem om tijdig een kampeerplekje te vinden. De oevers van Nederlandse binnenwateren zoals de Linge, de Reeuwijkse plassen, de Drentse Aa enzovoort, zijn óf natuurgebied waar kamperen streng verboden is, óf achtertuinen van villabewoners. En als er campings zijn, dan zijn het in de regel caravanterreinen waar je aan de rand - zelden aan het water - een plekje moet zoeken. Dat kan wel voor een nachtje, maar op den duur is het vernederend om tussen de brandnetels te zitten, gadegeslagen door de caravanbewoners die vanaf hun plastic tuinstoelen commentaar geven.

Nee, in Nederland moet je vooraf eigenlijk de juiste plekjes weten. Kanogidsen kunnen daarbij helpen. Ook kun je lid worden van een plaatselijke kanoclub. Door mee te doen met weekendtochten leer je de mooi gelegen kampeerterreinen kennen. Bovendien kun je op de club meestal je kano stallen.

Kano's heb je in vele soorten. Een slanke zeekano oogt wel aardig, maar met zo'n kano kun je in smalle slootjes nauwelijks de hoek om. Met een wildwaterkano kom je op een meer niet vooruit. Wie een kano koopt, moet dus wel weten wat hij ermee wil. Het beste is eerst eens een paar keer een kano te huren. Later kun je dan een eenvoudige combikano kopen (een kano die in eigenschappen overal een beetje tussenin zit) en lid worden van een kanoclub. Een aardig boek dat helpt bij het uitzoeken van een passend kanotype is de Kanogids van Jan Eggens (Uitg. Hollandia).

Nederlanders zeggen 'kano' als ze een bootje bedoelen waarin je met je benen vooruit zit en met een tweebladige peddel peddelt. De rest van de wereld zegt tegen zoiets 'kajak' en dat woord begint onder Nederlandse kanoërs ook ingeburgerd te raken. Een echte kano (Engels: canoe) is een bootje waar Nederlanders 'Canadese kano' tegen zeggen. Daarin zit je op een bankje, meestal één voor en één achter, en je peddelt met een eenbladige peddel. Zo'n Canadese kano is meestal behoorlijk breed in het midden, waardoor er flink veel bagage mee kan - je kunt er zelfs een paar kleine kinderen in kwijt. Je zit ook veel comfortabeler en je wordt niet nat van het druipwater van de peddels. Nadeel van de Canadese kano is wel dat je niet erg hard gaat - alle kajaks komen je voorbij - en dat hij erg windgevoelig is. Een meer oversteken bij windkracht drie kan al een heksentoer worden.

Op kleine rivieren en beschutte vaarten zie je heel wat Canadese kano's. Met de stroom mee komt het niet zo aan op snelheid en de bomen langs de oevers geven beschutting tegen de wind. Wie de route een beetje uitzoekt, komt in Nederland een heel eind met een Canadese kano. Je moet vooral geen haast hebben. Af te raden zijn vaargebieden met veel beroepsvaart - een Canadese kano kan zich niet snel genoeg uit de voeten maken als het echt gevaarlijk wordt. Bovendien lopen hoge golven vaak zo de boot binnen.

Heel iets anders is de kajak. Deze ligt wel veel lager, maar kan meestal afgesloten worden met een spatzeil. De kajakker die zich met een spatzeil, kanojack en muts geïnstalleerd heeft, kan heel wat kou en regen hebben. Zelfs 's winters valt het nog goed uit te houden als je rustig doorpeddelt. Regen is soms wel prettig, vooral op zout water, want nat word je toch.

Ook hoge golven maken voor een goede kajakker niet veel uit. Vooral een lange zeekano kan heel wat hebben - een goede kanoër is met zijn kajak als het ware een onderzeeboot waar de golven overheen en ook weer af lopen.

Pagina 34: Beginners geven nogal eens de voorkeur aan een tweepersoons kajak. Dat lijkt gezellig en zo'n grote kano is breed en stabiel. Een groot nadeel is dat de beide peddelaars goed op elkaar ingespeeld moeten zijn - de peddels raken elkaar anders voortdurend. En zo gezellig is het ook weer niet om de hele vakantie tegen iemands rug aan te kijken. Een grote tweepersoonskano is ook veel minder wendbaar dan een eenpersoons. Dat kan op een tocht door kleine slootjes een groot probleem worden. Een roertje, bediend met de voeten, is zeker aan te raden.

Een subtiel nadeel bij tweepersoonskano's is dat de achterste persoon vaak het druipwater van de voorste peddel in zijn gezicht krijgt. Water in je gezicht van je eigen peddel is al vervelend, maar van een ander is om gek van te worden. Typisch vakantiebeeld is dan ook dat de vrouw voorop boterhammen smeert, een boek leest of een trui breit, terwijl de man achterop het peddelwerk doet - een vreedzaam beeld waaraan vaak een en ander is voorafgegaan.

Een categorie apart vormen de vouwkano's die vroeger erg populair waren, maar nu vrijwel geheel verdrongen zijn door starre polyester kano's. Het grote voordeel daarvan is dat je niet het gedoe hebt van auto halen - als de tocht erop zit, vouw je de kano op en neemt de trein naar huis. Vooral op grote afstanden is dat prettig. Ook psychisch werkt dat beter: de automobilist blijkt in de praktijk de hele tocht met een onzichtbaar draadje aan zijn auto verbonden en stelt op de gekste momenten voor om 'de auto even bij te halen'.

Vouwkano's ogen vaak inferieur. Maar het tegendeel is waar. Vouwkano's van het merk Klepper zijn in veel opzichten zelfs superieur aan starre kano's. Het is de enige kano waarmee niet alleen behoorlijk snel gepeddeld kan worden, maar ook redelijk gezeild. De Klepper Aerius, een ontwerp uit het begin van de eeuw, wordt nog steeds in kleine series voor militaire doeleinden gemaakt. De kano waarmee Paul Theroux de Stille Oceaan bevoer (The Happy Islands of Oceania - Paddling the Pacific) was een eenpersoons Aerius. Het was jarenlang bij uitstek de expeditiekano en er zijn twee Trans-Atlantische oversteken mee gemaakt. Grote nadelen zijn echter de prijs (een Klepper is zo'n vijf keer duurder dan een gewone kano), de kwetsbaarheid en het zorgvuldige onderhoud dat nodig is.

Een klassieke kanovakantie is het afzakken van de Donau, 3.000 kilometer lang. Dat duurt zo'n twaalf weken, vijftig kilometer per dag en om de twee dagen een rustdag. Sportieve VUTters kunnen dat makkelijk aan. Wie graag in gezelschap reist, kan zich aansluiten bij de TID (Tour International Danoubien), die ieder jaar door de Deutsche Kanu Verband georganiseerd wordt. Daaraan doen allerlei nationaliteiten mee. De meeste deelnemers doen maar een gedeelte van het traject, bijvoorbeeld van Ingolstadt naar Boedapest (circa vier weken).

Een groot aantal andere tochten staan beschreven in 'Kanokamperen in Europa' door Jan Eggens (Hollandia). Per rivier zijn vaak gedetailleerde beschrijvingen te koop, meestal door Duitse kano-enthousiasten geschreven. Je weet dan redelijk goed wat je te wachten staat.