M

M: maandelijkse malheur voor vrouw. (M) = altijd man, mij/ik, nooit meisje. Man, Ray; fotograferend pseudoniem.

Moeder, de mijne, dood na mallotig langdurig lijden.

Moe: mijn schoonmoeder liep de vijver in.

Mokkel, mombakkeswoord voor meegaand meisje (Griet is een vis).

Mooi, door misbruik verflenst woord.

Morgenstern, Christian; aangenaam dichter die de kluts kwijt raakte maar verstandig aforist: Mein Hauptorgan ist das Auge. Alles geht bei mir durch das Auge ein' (1909).

Malen; altijd 's avonds, zelden bij daglicht.

Moffrika; door tante T gebruikt omdat ze na 1940 de andere naam niet meer over haar lippen kreeg.

Mede, lekker. Most, idem.

Morrison, Sir Van; Astral Weeks: weemoedige werkmuziek.

Maagdenpalm, groeit laaglustig onder dennenboom.

Moelmer van Jan Hanlo, melig lament van cultdichter.

Musil, Robert; onderschat: 'Ik ben bijzonder nerveus en slaap slecht, ook als ik alle gedachten laat rusten. De draad waaraan ons leven hangt is bijzonder dun'.

Matisse, mediterraan en maltentig oeuvrebouwer.

Mosterd, niet na maaltijd of waar te halen maar in de sla.

Monomanie, net als megalomanie hondsmoeilijk te bestrijden.

Metropool: niets voor mij, prefereer molshopen en Mallarmé met muggenmuziek.