Klimmen en dalen doe je alleen; Op de fiets langs alle Tourklassiekers in de Alpen

Afzien op de racefiets op de colletjes van de Alpen blijft ook voor menige Nederlander een geliefde vrijetijdsbesteding. Over bloed, zweet en tranen, en een verkeerd gevallen flan.

Fietsen over de hoge passen in de Franse Alpen is niet voorbehouden aan de renners van de Tour de France. In de tunneltjes voor Val d'Isère vraagt de man van een echtpaar of ze voor me mogen rijden, in de beschutting van mijn rode achterlicht. Hij met dikke buik, zij fors opgemaakt. Ze zitten in een op het oog ongemakkelijke kaarsrechte zit op hun racefietsjes, beiden met fietshelm. Wij drinken onze ochtendkoffie in het verlaten wintersportoord. Zij malen door met hun lichte verzetten op weg naar de Col de l'Iseran, met 2.770 meter een van de hoogste geasfalteerde passen in West-Europa. Hogerop de helling, nog twee kilometer voor de pasovergang zit ze in de berm. Mooi uitzicht, maar daar gaat het niet om. Hij dringt aan om die laatste kilometers omhoog toch ook nog te fietsen.

Net voorbij Val d'Isère, met nog 16 van de 47 klimkilometers vanuit Bourg-St. Maurice voor de boeg, stuift ons een Nederlander voorbij. Wat kilometers verderop zwoegen wij hem voorbij. Hij heeft een fietster ingehaald en staat met haar langs de kant. Later haalt hij ons weer moeiteloos in, alleen, vrolijk pratend, volstrekt niet buiten adem. Van ons drieën is Charles Phaff, huisarts te Heugem, als eerste boven. Ik volg op ruim twee minuten, hoewel vijf kilometer eerder nog de definitieve inhaalpoging door mijn hoofd speelde. Vele minuten later volgt Ton Schmidt, medisch psycholoog aan de Maastrichtse universiteit. Normaal gesproken eindig ik na hem, maar de verhoudingen veranderen als de passen hoog worden en de lucht ijl. Dat bleek een paar dagen eerder al, op de flank van de Galibier (2647 meter).

De Nederlander duikt weer de afgrond in om zijn vriendin het laatste stuk te begeleiden. De laatste twee kilometers van de Iseran zijn niet mis. De weg stijgt er met 7 tot 9 procent. Dat betekent 70 tot 90 meter klimmen op een kilometer weg. En dat na vele kilometers met stijgingspercentages tussen de 5 en 7 procent. Een stevige paswind tegen doet de rest. Het Nederlandse stel arriveert. Zij begonnen hun fietsvakantie in Maastricht en de top van de Iseran was hun eindpunt, wat ze vieren met vreugdekreten en een omhelzing. In de luwte van het gesloten pashuis eten we wat. Het echtpaar arriveert en zoekt een plaatsje verderop. De Nederlanders maken foto's van ons voor het verkeersbord op de pas, en wij van hen. Daarna nemen zij de afdaling terug naar Bourg-St. Maurice en wij gaan door, 85 kilometer dalend naar St. Jean-de-Maurienne. Wij zijn de tourwielerclub De Specht, eveneens uit Maastricht. Drie van ons fietsten niet het hele stuk maar reden met de auto naar St. Jean-de-Maurienne om van daaruit een week in de Alpen te fietsen. Twee anderen ontmoetten we na een dag in het Italiaanse Susa. Zij fietsten in de twee weken ervoor van Maastricht naar Florence. De traditie van De Specht, in totaal zes mannen groot, wil, naast de veertiendaagse voorjaarstochten, eens per een of twee jaar een fietsweek. Twee leden werden vijftig in de afgelopen winter. Misschien moesten daarom de voor fietsers klassieke alpenpassen weer eens worden bedwongen. De Iseran is de laatste. In zeven etappes reden we over de Col du Mont Cenis, de Colle delle Finestre, de klim naar Sestrière, de Izoard, de Lautaret, de Galibier, we reden Alpe d'Huez binnen na flinke klims, beklommen daarna de Col de la Croix de Fer, de Madeleine, en ten slotte de Iseran.

De wegen naar deze passen stijgen vanuit het dal meestal 10 tot 30 kilometer aan een stuk door, maar de stijgingen zijn nooit extreem en onderweg is altijd wel een op fietsers ingesteld café of restaurant om even op te warmen of het uitgezwete vocht te compenseren. Alles afhankelijk van de weersomstandigheden. Iedere trainende fietser (wij vertrokken naar de Alpen met 2.000 tot 4.000 in 1997 gefietste kilometers in de benen) die de voor hem of haar geschikte verzetten (versnellingen) heeft gemonteerd kan de cols fietsen. De meeste Alpenpassen werden ooit aangelegd voor militair gebruik. Paarden moesten langs de pasweg kanonnen omhoog kunnen trekken. Waar dat lukt, komen ook zwaar bepakte jonge mountainbikers en onbepakte bejaarde maar excentrieke Britten omhoog.

De meeste paswegen zijn goed geasfalteerd. Het diepst in het geheugen gegrift staat daarom bij ons de beklimming van de Colle delle Finestre. Er bestaan veel passen met die naam maar deze ligt ten zuiden van het Italiaanse Susa, het stadje aan de andere zijde van de Col du Mont Cenis. Na een paar kleine gehuchtjes slingert de smalle oude asfaltweg de eerste zes kilometer door een bos met veel tamme kastanjes. De bomen zijn bemost, de stenen muurtjes zijn bemost, de weg is nat van de mist, langzaam klimmen we de wolken in. Na zes kilometer een brug, een wit huis met gesloten luiken en het asfalt houdt op. Ik fiets dan alleen in de mist. Geen van de vier medefietsers die sneller waren dan ik hebben getwijfeld aan de juiste route. Ze zijn doorgereden. Eerst is het een mooie harde zandweg. Daarna wordt het in de haarspeldbochten rul. Later verschijnen modder, grind, stenen, grote keien die deel van de ondergrond zijn. Kilometerslang balanceer ik trap voor trap mijn smalle fietsbandjes over zand en stenen. Mijn fietscomputer geeft aan dat ik per uur ongeveer vijf kilometer vooruit kom. Wandelen zou het voordeel bieden dat je je makkelijker over een bloem kunt buigen of de verrekijker kunt pakken om een vogel te bekijken. Maar ik blijf vastgeklikt aan de pedalen, de blik gericht op de stenen voor me. Hier en daar ligt een koe half op het pad of staart er een in de mist. Een grote witte langharige herdershond blijft gelukkig ook rustig liggen als ik voorbij zwoeg. Het contact met de reisgenoten wordt roepend hersteld. De aankomst van Ton is voor de andere drie wachtenden (Charles, de andere Wim en Michiel) de aanleiding om eens het dal in te schreeuwen. 'Wiiim!', hoor ik van boven. Op mijn antwoord traceren ze me in de een na laatste haarspeldbocht. 'Fietst hij?' Hoor ik boven me. Dat klinkt als een belediging, maar Ton blijkt ruim een uur te hebben gelopen over het onverharde pad. Ik kwam tussen de tamme kastanjes op het asfalt ook al erg langzaam vooruit. Ton heeft deze pas ingelast, nieuw voor iedereen, omdat hij dacht hem ooit met de auto over asfalt te hebben verkend. Wim Riedel, neuropsycholoog in Maastricht, staat al bijna een uur boven te rillen van de kou. Michiel Marlet, huisarts in Rotterdam, kwam kort na hem boven. Zij zijn altijd al de betere klimmers van De Specht, maar nu ze ook nog Maastricht-Florence in de benen hebben is het verschil erg groot. De Franse Alpen liggen vol fietsklassiekers. Alle passen waar tourhistorie is geschreven zijn ook voor liefhebbers befietsbaar. En dat wordt ook druk gedaan, of het nu uit wielerenthousiasme is, of om een prettige manier een indrukwekkend en prachtig landschap aan je voorbij te zien trekken (omhoog) of flitsen (omlaag), of om te kijken wat lichaam en geest nog kunnen. Voor de mannen die in De Specht rijden, tussen 40 en 50 jaar oud, bestaat de motivatie uit een mix van prestatiedrift, schaven aan de conditie, genieten van het landschap en het plezier van het op pad zijn met goede vrienden. Charles: “Ik ervaar graag dat mijn lichaam nog werkt en ik verbaas me er over. Ik hoor zo vaak de vraag 'waarom ik?' van mijn patiënten die een vervelende ziekte hebben. Daar weet je ook niet echt het antwoord op.” Inderdaad, de gesprekken binnen De Specht gaan vaak over medische zaken. Alle spechtfietsers werken in de medische hoek.

Een wielerwedstrijd wekt een andere indruk, maar goedwillende amateurfietsers zitten in de bergen nooit op elkaars lip.

Pagina 29: Je deelt een hotelkamer, je eet samen, je drinkt onderweg wat, maar klimmen en dalen doe je grotendeels alleen. Je kijkt naar de vogels in de lucht en de bomen, naar de bloemen langs de weg, je geniet van de uitzichten, het langzaam veranderende dal, je ziet de arend hoog boven de bergkam, de marmotten in het weiland, de dode padden en vooral de dode krekels op het asfalt. Ieder rijdt zijn eigen tempo. Fietsers die elkaar op de platte Nederlandse wegen en zelfs in de Ardennense heuvels redelijk bijhouden, arriveren met minuten verschil op de Alpenpassen. En snel dalen is een vak dat maar een enkeling beheerst.

Een fietstocht uitzetten in de Alpen is geen kunst. Dat blijft waar ondanks de vergissing met de Colle delle Finestre. Er zijn dalen en passen. De beroemde passen van de Tour de France liggen in het gebied van ongeveer 100 bij 100 kilometer tussen Grenoble, Annecy, Chamonix en Briançon. Daar lopen de dalen grofweg gezegd oost-west en de paswegen noord-zuid. Er zijn een aantal meerdaagse rondritten mogelijk.

Voor fietsers zijn dalen een noodzakelijk kwaad om van pas naar pas te komen. In de dalen rijden te veel vrachtwagens over te smalle wegen. Om dat probleem op te lossen worden nu door veel dalen vierbaanswegen aangelegd. Dat begon voor de olympische winterspelen rond Albertville. Maar nu zijn ook de andere dalen aan de beurt. Het dal van de rivier de Arc, waar bij Modane de tunnel van Fréjus naar Italië begint, ligt al jaren overhoop. Voordeel van de dalen is dat er genoeg hotels staan om in voor- en naseizoen zonder bespreken op onderdak te kunnen rekenen. Een fietsonvriendelijk hotel zijn we niet tegengekomen. De fietsen mogen 's nachts in de garage, in de skiruimte of in het washok. Maar bij Hotel de l'Europe in St. Jean-de-Maurienne, waar we vertrokken, aankwamen en tussendoor nog een nacht sliepen, stonden ze in de oude feestzaal, op het parket tegen de houten lambrizering. 'Cinq salades plus grands. Pour les cyclistes', riep de pedante baas de keuken in. Mooie show, hij reed in een auto met Parijs' nummerbord. De salades waren van het normale formaat, stelden we vast na een blik op de naburige tafeltjes.

Soms hangt er een bordje op de deur dat het etablissement is aanbevolen door de Franse organisatie van tourfietsers. Maar verschil in behandeling hebben we niet gemerkt. Integendeel. Hotel Paris in Briançon, met op de deur een fietsersbordje tussen de aanbevelingen van de Duitse en Britse automobielclubs, was vol. Verderop staat Hotel Vauban, een bordje minder, maar een ster meer. Eigenaar André Sémiond heeft zelf vaak de Col d'Izoard gefietst, vertelt hij ons 's avonds als hij een wijnfles voor ons opentrekt. Aan het menu heeft hij een extra pastagang toegevoegd. De Izoard is geen col om met het zwart voor de ogen te fietsen, blijkt de volgende dag, want hij ligt in een landschap waar veel moois te zien is. De weg is waarschijnlijk altijd rustig. Hij leidt van Briançon naar een dal met kleine stadjes die net zo goed via de route national 94 door het dal van de Durance kunnen worden bereikt. Bovendien was de pas gesloten op de zonnige septemberdag dat wij er over heen wilden.

De groepjes motorrijders die ons voorbij scheurden keerden echter niet terug, dus wij kregen steeds meer vertrouwen in de onderneming, nadat we in Briançon de bordjes met Col Fermé hadden genegeerd. De dorpjes Cervières en Le Laus lagen in het heldere ochtendherfstlicht tussen de akkers, weilanden en moestuinen te bekomen van de nachtvorst. De oudjes van het dorp rooiden de aardappels. Hogerop kwetterden de groepen mezen hun herfstgeluiden door het bos. In de toppen van de naaldbomen krasten een paar notenkrakers. Het geluid van een dragline werd luider. Een bord langs de weg waarschuwde voor springladingen die af konden gaan. Na de fiets over een wegversperring van rood-witte blokken te hebben getild en nog twee haarspeldbochten, bleek het stuk rots al te zijn opgeblazen. De dragline schoof steenslag en overbodig geworden bomen aan de kant.

Op de pas drijft een stokoude man een winkeltje annex fietsmuseumpje. Hij heeft alle passages van de tour over zijn pas gezien en heeft er een boekje over geschreven. De pasweg is niet aangelegd voor fietsers. Militaire wensen gaven de doorslag om deze niet al te steile tweebaansweg vanuit Briançon naar het op Italië gerichte dal van de Guil aan te leggen. Daarna, in de jaren twintig en dertig, zochten de automobilisten nieuwe uitdagingen. Het gedenkteken op de Izoard herinnert aan dit pact van militairen en automobilisten. De fietsers kwamen pas daarna naar boven. Er arriveren een tiental fietsende Italianen, Fransen en Britten in het uurtje dat we boven uitpuffen en van het uitzicht genieten.

Na de afdaling door de diep uitgesleten Combe du Querays staan we voor de keus om over de N94 door het dal terug te fietsen naar het hotel in Briançon, of de weg hoger langs de dalhelling te nemen. Het is een klassieke keus bij het fietsen in de alpen. Doorgaande dalwegen zijn rood op de Michelinkaart. Als er nog een tweede route in het dal past kronkelt die de hellingen op en af naar de hoger gelegen dorpjes. Het zijn de beruchte witte weggetjes op de kaart. Zwaar fietsen, maar wel landelijk. In dit geval is de keus niet moeilijk.

De N94 blijkt een smalle strook asfalt met hoge betonnen randen. Het is een lange bak vol zware vrachtwagens waar we ons niet naast wagen. We kennen de duw- en zuigwinden van vrachtwagens die voor fietsers nauwelijks aan de kant gaan. We zoeken de D38. Tot het zweefvliegterrein van St-Crépin slingert hij aan de rustige kant door het rivierdal. Dan versmalt het dal. Ons weggetje draait naar het gehucht Chanteloube. Aan de rand van het dorpje staat een boerderijtje. Voorlangs het huis ligt de weg nog op moestuinniveau. De weg draait rond het huis omhoog en achter kijk je al door het luik van de hooizolder. Het is een klassieke klim een dorpje uit. “Bon courage, bon courage”, riep de bewoonster ons nog vanuit haar tuin toe. “Nou dan weet je het wel”, brengt Ton uit als hij vol in de pedalen gaat. Dor gras en droge doornstruikages tussen platte lichtgekleurde steenplaten onder de brandende zon. Alleen de krekels zijn niet stil. De weg blijft stijgen. Je zweet droogt onmiddellijk op. Klimmen in een heet dal verschilt psychisch en fysiologisch hemelsbreed van een klim naar een hoge pas door koele berglucht. Het uitzicht op het dal van de Durance wordt steeds grootser. Vroeger was het een weggetje voor de boeren, nu voor de eigenaren van de tot vakantieverblijven verbouwde boerderijen. We rijden langs overwoekerde en al decennia verlaten terrasakkertjes. Dan weer stukken lichte en rode kale rots. Zwetend en moe komen we een voor een boven. We drinken onze bidons leeg en wachten op de laatste om weer samen een stukje afdaling en glooiingen te fietsen. Ton komt steunend boven. De flan die we na de afdaling van de Izoard rond de dorpsfontein van Guillestre aten is verkeerd gevallen. Hij zet zijn fiets in de zon en sissend loopt zijn band leeg. Dat is de derde keer vandaag. Vanmorgen voor we wegreden stond zijn achterband leeg. De ingelegde reserveband raakte onmiddellijk lek en dit is nummer drie. Iedereen bemoeit zich er nu mee. De boosdoener blijkt een door het velglint stekend spaakuiteinde.

Sémiond is weer allerbeminnelijkst. Hij maakt er ook geen geheim van dat de zaken door zijn vrouw en zijn 85-jarige moeder worden gedaan. 's Avonds informeert hij aan onze tafel naar onze tijden. De tijd van de snelste van Briançon naar de Izoard is niet slecht voor Hollanders, vindt hij. Maar in zijn goede tijd deed hij het sneller. We geloven hem, zoals hij daar alweer een wijnfles openmaakt, een beetje gezet nu, maar kort van postuur en met zwart glimmend achterover gekamd haar op en top een oud Frans klimmertje. De volgende ochtend vertrekken we voor de tocht over de rustige dalweg van Briançon naar Le Bourg-d'Oisans, met vrijwillige uitstapjes naar de Galibier en Alpe d'Huez. Op de Col du Lautaret aangekomen besluit iedereen de 7,5 kilometer naar de 600 meter hogere Galibierpas te fietsen. Ik rijd de afstand in 49 minuten, arriveer hijgend als vierde. Op het laatste stukje geeft de hartslagmeter 175 slagen per minuut. Die slagfrequentie bereikte ik de twee voorgaande dagen niet, waarschijnlijk omdat benen, billen en rug door de spierpijn er niet meer echt zin in hadden. We dalen de Galibier af langs de kant waarlangs we kwamen. In een van de café's op de Col du Lautaret halen we onze fietstasjes weer op en vervolgen bepakt onze weg. Bij het stuwmeer van Chambon splitsen we. Wim en Michiel willen weten of het waar is dat de Alpe d'Huez niet noodzakelijk een heen en weer weg is. Er zou een klein asfaltweggetje achterom omhoog gaan. Ik rijd liever de beroemde route met 21 genummerde haarspeldbochten. Charles ook. Ton heeft het na de Galibier voor die dag wel gezien. We laten de bagage in het rommelige hotel Beau Rivage achter en beginnen om half vijf aan de klim naar boven.

In werkelijkheid zijn de 21 haarspeldbochten van de Alpe d'Huez evenzovele verademingen. Vergeleken met de steilte van de weggedeelten daartussen liggen de bochten bijna plat. Charles buit zijn geringe lichaamsgewicht onmiddellijk uit en verdwijnt op de eerste steile stukken voorgoed uit zicht. Ik zie hem anderhalf uur later boven terug, uitgeput op de stoep van een bakkerij een pain chocolat naar binnen werkend. Vlak voor mijn finishdoek (de Alpe is berekend op trimfietsers) komen Wim en Michiel van de andere kant. De rondrit over de Alpe d'Huez bestaat echt en voert door wildernissen die in schril contrast staan met de brede weg in het lelijke skidorp waar we elkaar ontmoeten. In de laatste avondzon drink ik met Charles een cola op een terrasje. We trekken ons regenjackje aan en storten ons naar beneden, het dal in dat al in de schaduw ligt. Klappertandend komen we beneden.

Thuisblijvers vinden het altijd nogal gevaarlijk wat we daar in die bergen doen. Geen schrammetje liepen we op. Toch worden de door de fietscomputers vastgelegde maximumsnelheden na een afdaling wel vergeleken. Maar toen ik een paar weken later de gebruikte fiets van Maastricht naar de winterstalling nabij Utrecht fietste, vergaten in Boxtel twee meisjes te remmen en ramden me met hun brommer van achteren. Band doormidden, velg en spaken kapot, bloedende enkel, schaafwonden op knie en dij. Verder met de trein.