Het telegram

Vanmorgen ontwaakte ik uit het heerlijkste sprookje dat ik ooit had gedroomd. Ik besefte dat ik wakker was, maar het verhaal stond me nog zo duidelijk voor ogen, ik was nog zozeer doordrenkt van gevoel, dat ik maar de pen hoefde te pakken en ik zou het volmaakte verhaal hebben geschreven, dat mij voor altijd beroemd en dus onsterfelijk zou hebben gemaakt.

Gelukkig was dit niet de eerste keer. Ervaring leert dat dit soort euforie een halveringstijd heeft van minder dan een minuut en nog voor ik de badkamer inging, was er van die prachtige droom niets meer over dan een kapstok waaraan ik inderhaast, 'om het niet te vergeten', de noodzakelijke trefwoorden had gehangen. En die trefwoorden lieten zien dat wat ik had gedroomd het meest clichématige verhaal was dat je maar bedenken kunt.

En toch.

De ochtendpost bracht me o.a. het boekje Beroep: journalist, van W.L. Brugsma zaliger, met een voorwoord van Hans van Mierlo. Het eerste hoofdstuk is flitsend en laat zien hoe flitsend het leven van de journalist kan zijn. Het bevestigt het beeld dat ook de buitenstaander heeft: telefoon tussen kaak en schouder, shagje draaiend, typend op een platte Olivetti Lettera, op een hotelkamer in Tokio; klop op de deur, een telegram aangereikt krijgen: 'Vlieg onmiddellijk naar Leopoldstad, chaos in Kongo'. Reeds een enkeltje Tokio-Schiphol-Zaventhem genomen en aldaar naar de incheckbalie: 'Is er nog een plaats op de eerste vlucht naar Leo?'

Hij was de enige in het vliegtuig. Heerlijke romantiek. Brugsma had geen nachtelijke dromen nodig, hij leefde van de werkelijkheid.

Ik, op mijn beurt, had geen haast. Zoals iemand die de trein heeft gemist even geen haast heeft. Ik had alle tijd. En dat is goed voor een schrijver. Meer dan de romantiek van het dagelijkse leven, dat is niets voor mij. Ik heb óók wel 's in m'n eentje in een vliegtuig gezeten, dat vloog naar Algiers. Het was geen lolletje, en niet erg romantisch. Ik heb het nooit kunnen 'gebruiken', niet op papier. En ik ben wel 's richting Noordpool gevlogen, om mij af te laten zetten op het noordelijkste vliegveldje ter wereld. Ik had de namen bij me van een paar milieuactivisten (als het woord toen al bestond), die gekant waren tegen de aanleg van olieleidingen door Alaska. Ik had hun adressen en telefoonnummers en ik zou ze bellen. Maar ik dacht, dat kan morgen ook nog, niemand weet dat ik hier al zit. En dat dacht ik de volgende dag weer. Bovendien, zo stelde ik mijzelf gerust, als ik die nummers heb meegekregen uit Amsterdam, waarom dan niet meteen vanuit Amsterdam gebeld?

Ik moet erbij zeggen, dat het een idee van mijzelf was. Maar eenmaal bovenin Alaska leek het me absoluut nutteloos wie dan ook te bellen. Of op te zoeken. Ik had een roman geschreven waarvan het laatste hoofdstuk in Alaska speelde. Dat hoofdstuk had ik ook al af, en ik zag dat Alaska was zoals ik had gedacht. Dat is typisch de hebbelijkheid van een schrijver: hij ziet de wereld zoals hij denkt dat ze is. Dus de vraag was eigenlijk: wat deed ik daar in Alaska. Ik had bij mijn vertrek iets gemompeld van 'couleur locale', fototoestel bij me, maar ook daar kwam niets van terecht. Een schrijver heeft op reis zijn ogen in de zak - dat is nu eenmaal zo. Wie op reis, ver van zijn schrijftafel, iets ziet wat hij niet eerder heeft gezien, is geen echte schrijver.

Al die weken in Alaska heb ik niemand gesproken en toen ik, weer thuis, het laatste hoofdstuk van mijn roman doornam zag ik dat het goed was, ik hoefde er geen woord aan te veranderen. Het was een goed boek, het kwam van binnenuit.

Mijn sprookje, wil het me nog onsterfelijk maken, moet het helemaal hebben van de woorden waarmee ik het schrijf; ik heb geen ander middel, bij falen geen ander hof van appèl. Ik ga er vandaag mee beginnen. En of het van binnenuit komt, dat zullen we spoedig zien.

Ik was bezig met een heel ander boek, maar dat is geen excuus, dat ben ik wel vaker.