Het schip snurkt; Zeezeilen is wachtlopen

Met z'n twaalven onder drie zeilen in vier dagen heen en terug naar Engeland. Zeeziekte is als blaren bij een wandeltocht: 'Wie er niet tegen kan die blijft maar weg.'

Zeventien meter lang is de boot, bij een breedte van minder dan vijf meter. Haar naam, Nirwana, staat in stevige blauwe letters op haar heupen geschilderd. Ze deint vriendelijk heen en weer in de zachte regen, tenger voor de 13 mensen die met haar zullen varen over de Noordzee, van IJmuiden naar Suffolk in Engeland en terug. Vier dagen, drie nachten.

Tijd voor bedenkingen is er niet, laat staan voor desertie. “Waar wil je slapen”, vraagt de schipper. “Voor of achter, het kan allebei nog”. Ik gluur langs een smalle ladder naar beneden, naar de drie ultra smalle bedjes die de weidse naam 'kooi' dragen. Er rust, als bij een kinderbed, een opstaande houten rand voor elk kot - niet voor de knussigheid, maar om te verhinderen dat de slaper er bij hoge golven uitrolt.

Voor of achter? Geen idee. Ik gok op 'achter', omdat ik daar al sta en niet moeilijk wil doen, en heb meteen spijt. 'Voor' is binnen, 'achter' min of meer buiten onder het achterdek. Bovendien strookt 'voor', met al dat mooie roodbruine hout, de olielamp en het gepoetste koper meer met mijn scheepsromantische verwachtingen. “Een hoop herrie”, is het commentaar van iemand die het blijkbaar weten kan. Een ander wijst op de schuifluiken die de twee hutten achter wel tegen de regen zullen beschermen, maar op geen stukken na de ruimte afsluiten voor de koude.

Tien uur later, als we op volle zee zitten en venijnige golven het scheepje in haar flanken aanvallen, heb ik allang besloten dat 'achter' verre te prefereren is boven 'voor'. De vermoeidheid maakt korte metten met de herrie, je valt in slaap voor je het weet; en de kou, daar heb je wapens tegen - een slaapzak, dikke sokken, truien, een sjaal, noem maar op. Maar lucht bij stromen en nog geen tien ladder-tredes afstand tot zicht op horizon, hemel en deining, het is goud waard als je maag opspeelt. Kom daar maar eens om in je bedje in het vooronder, als je je eerst moet loswurmen uit die warme houten omhelzing. Knus is zo behaaglijk niet, knus klemt: voor de troostrijke buitenlucht moet eerst een wild tangoënde kajuit worden doorkruist en, of dat nog niet genoeg is, ook nog eens een gemeen tegenstribbelende trap bedwongen.

Maar dat is allemaal nog niet aan de orde. Voorlopig liggen we nog in de haven, bij de sluizen van IJmuiden. Laurens de Jong (27), kleinzoon van een parlevinker in de Rotterdamse haven, zoon van een slager, is ruim drie jaar eigenaar van de Nirwana, en aangesloten bij de kleine vloot van de IJmuider Zeezeilers, een bureau dat reizen en reisjes op zee organiseert. Hij woont op dit schip, in een kleine hut rechtsvoor. De Jong had al vaak als bemanningslid gevaren op de Nirwana toen het schip te koop lag. Als jongen had hij naar de zeevaartschool gewild maar mocht niet van zijn ouders. Hij kocht de Nirwana, waarmee hij niet alleen een schipper werd, maar ook de aanvoerder van wisselende troepjes vakantiegangers. Nu zeilt hij van de lente tot de herfst in vier of vijf dagen met een bemanning van vakantiegasten heen en terug over de Noordzee. 's Zomers maakt hij grotere tochten, rond Engeland, of naar de Orkney Eilanden. In 1998 wil hij naar de Färöer, een eilandengroep tussen Schotland en IJsland. 's Winters volgt hij steeds andere opleidingen aan de zeevaartschool en werkt hij in de haven van IJmuiden of Rotterdam. Op een sleepboot bijvoorbeeld. Daar maakt hij dan mee dat de kapiteins van enorme zeevrachtschepen willen wachten met aanleggen, omdat ze de eendjes tussen schip en wal niet wensen op te jagen. “Mooi hè?”

Ik maak een fout. Ik noem Laurens de Jong 'instructeur'. Dat is hij niet, zegt hij bijna gekwetst. “Ik ben geen leraar, je krijgt van mij geen les. We maken een reis. We gaan varen en je kunt zo veel kennis vergaren als je wilt. Van mij, maar je doet ook een hoop op bij de anderen. En niet meer dan waar je zin in hebt.”

Intussen druppelen de opvarenden binnen. Enkelen voeren al vaak op de Nirwana en praten over het schip met zachte ogen. Men stelt zich aan elkaar voor. De oudste is een 62-jarige Amsterdammer. Hij heet Jan en niet alleen maakte hij al veel pleziertochtjes van deze soort, hij bevoer de zeven zeeën per wilde vaart. Soms was hij elf maanden van huis, een enkele keer was hij ook wekenlang zoek. Nee, zijn vrouw vond dat niet leuk, maar ach, ze was eraan gewend. De jongste deelnemer is 16. Hij zeilt elke dag, echter nog nooit op zee.

Hij gaat mee omdat hij ervan droomt in de nabije toekomst bemanningslid te worden op een wedstrijdjacht in een zeezeil-race rond de wereld. Mijn ervaring dateert van een kleine dertig jaar geleden, toen ik het uniform droeg van de waterpadvinderij. De termen ken ik nog, wat oploeven is en aan de wind varen hoeven ze me niet bij te brengen.

Pagina 4: Maar de rest, zeiltechniek, stromen en sterren, alles is weg. Zelfs de veelgeoefende knopen ben ik, afgezien van de mastworp, allang vergeten.

De schipper voegt zich bij het gezelschap dat nu beneden in de kajuit zit te keuvelen, rond de kleine tafel op de bank gepropt. Hij leunt tegen het aanrecht ertegenover, een hand aan de gootsteen, de ander aan het fornuis, waar beugels overdwars later pannen en ketel zullen verhinderen weg te glijden. Hij legt uit hoe de toiletten werken, hoe je het handigst in de keuken kunt omspringen met koppen en kannen (nooit iets los neerzetten). Hij laat zien wat er in de kastjes zit (zetpillen tegen zeeziekte bij de pleisters in een laatje, eten en drinken achter de meest onverwachte luiken) en wordt, na steeds grotere vrolijkheid, nadrukkelijk serieus: “Ze zeggen wel eens, één hand voor jezelf en één voor het schip. Ik zou zeggen: hou die twee handen maar voor jezelf. Dit schip vaart al twaalf jaar, dat redt zich wel”.

Twee dingen verklaart hij ten strengste verboden: overboord kotsen en, voor de mannen, overboord plassen. “De controle over je evenwicht gaat verloren en je valt zo over de reling. Op dit schip is er nog nooit iemand overboord geslagen en dat wil ik zo houden”. Mochten we het onverhoopt zien gebeuren, leert hij ons, dan moeten we brullen: Man overboord!! De Jong doet voor hoe je in dat geval met een priemende vinger aan een gestrekte arm naar de drenkeling moet blijven wijzen tot en met het ogenblik dat hij aan boord is gehesen. Verder moet iedereen die zich verder niet bezighoudt met het keren van het schip alles wat er binnen zijn bereik is in zee gooien, in de richting van de ongelukkige. Het maakt niet uit wat, als zijn zoute gat maar zo uitvoerig mogelijk gemarkeerd wordt. Ik luister, maar realiseer me pas dat het geen loze aanwijzingen zijn wanneer ik later op zee de eindeloze kudde golven zie. Wie daartussen belandt, is zo weg. Niet omdat hij direct zinkt, maar omdat ons oog ongeschikt is om veel te onderscheiden tussen grauw water- en lichtgeschitter.

Het is half elf en donker buiten. De zeilen worden gehesen en vastgezet, het grootzeil en voorop een tweede zeil, de 'genua', die ik aanvankelijk voor de fok verslijt. We varen uit nadat de wachten zijn ingedeeld, ervaren zeezeilers met groentjes. Zeezeilen is wachtlopen. Drie uur op, zes uur af, in ploegjes van vier. Wie wachtloopt, is verantwoordelijk voor het schip. De wacht houdt het logboek bij, bepaalt elk uur de positie van het schip en tekent die aan op de kaart, zorgt voor zeilen en stuur. 's Nachts wordt de schipper uitsluitend bij noodgevallen uit zijn bed gehaald, al vertelt Laurens de Jong vertederd dat hij ook eens midden op de Noordzee gewekt werd uit enthousiasme, toen een wachtploeg dolfijnen om het schip zag buitelen.

De Nirwana passeert de IJmuidense sluizen en begeeft zich op zee. Het regent niet meer, maar de meeste wind is ook verdwenen. Buiten de pieren staat de zee strak en blijft de motor aan. We tuffen weg, weg van de lichten van de haven en de sluizen, weg van het zoeflicht uit de vuurtoren. Ik heb geluk, ik draai niet de hondenwacht van 12 tot 3 uur en evenmin hoef ik present te zijn voor de platvoetenwacht van 3 tot 6. Ik ben ingedeeld voor wat de morgenwacht heet en zal zo tegen 6 uur 's ochtends worden gepord. Ik wurm me in het bedje en besef dat smal geriefelijk is. Het schip kan rollen en stampen wat het wil, in je kooi lig je vast. In een doosje.

Voor ze me roepen word ik wakker, in een luide stilte. De motor is uit, het schip kraakt in zijn voegen, in zijn touwen, in zijn zeilen. Het maakt een zwiep en klapt op wat voelt als flinke golfslag. Nu pas hoor ik ook de wind. Ik klauter uit mijn kooi en ril. Het is koud. Ik ben blij dat ik alleen maar wat kleren erbij aan hoef te trekken. Een pyjama uitdoen was een crime geweest, ook omdat op je benen blijven staan op een zeilend schip grote moeite kost. Wie bang is voor blauwe plekken kan beter thuis blijven, want je valt steeds en op de raarste plaatsen om. Weer een zwiep, mijn maag speelt op. Ik voel me op zijn zachtst gezegd flauw en wankel omhoog langs de ladder. De wind doet goed.

Ik ruik gebakken eieren ('De afgaande wacht maakt eten en koffie voor de komende wacht' beveelt het Boordreglement) en eet omdat het moet - het zou te onaardig zijn om die in het holst van de morgen gesmeerde boterhammen te laten staan. Maar het helpt. De misselijkheid maakt plaats voor een katterigheid die ik al snel vergeet. Voor de zekerheid neem ik de hele reis lang kleine hapjes die ik steeds heel goed kauw. “Je moet eten voor je honger hebt en je warm aankleden voor je het koud krijgt”, zal Jan zeggen. Naast kou en honger noemt hij vermoeidheid als verdere oorzaak voor zeeziekte. Er is niets aan de hand, volgens hem, want “Windje vijf en halve wind, da's lekker zeilen. Maar je moet even inschommelen.” Jan kan het weten, hij voer immers jaren lang. Hij zegt ook, dat hij zelf niet weet wat zeeziekte is. Wat weet een mens die geen zeeziekte kent? Jan, zo vertelt iemand, heeft, toen zijn vrouw eens klaagde dat hij nooit iets voor d'r meenam, de bloemenman van de hoek zijn hele stal bij haar laten bezorgen.

Indachtig Jans advies draag ik over mijn thermo-ondergoed wollen laag over wollen laag. Muts en handschoenen beschermen mijn uiteinden, jack en fietsbroek zorgen dat ik niet nat word. Zo uitgedost kun je altijd buiten in de kuip zitten, ook als je geen wacht hebt. En in de kuip, bij het stuur en het kompas, is het het koudst en het natst, maar ook het leukst. Daar gebeurt het. Daar kun je je ingraven in het gedoe met die elementen. Het gaat er fanatiek aan toe, maar overdrijven is er, althans op de Nirwana, niet bij. Hoe prachtig snoeihard er ook gevaren wordt, als er behoefte is aan koffie en het schip gaat te scheef om zelfs tussen de gasstel-beugels het keteltje op het fornuis te houden, besluit Laurens de Jong dat er dan maar niet scheef en hard gevaren moet worden. Eventjes het stuur om, de zeilen verschikt, en de verkeerde kant op, tot het water heeft gekookt en de koffie is gezet. “Dat halen we wel weer in, we gaan hier niet afzien, zeg.”

Bijna iedereen is aanvankelijk in meer of mindere mate zeeziek, blijkt gaandeweg. Twee van de twaalf bemanningsleden voelen zich zo beroerd dat ze geen wacht kunnen lopen, en dat duurt een dag. De rest, ook de diehards die al vele malen met de Nirwana meevoeren, vertelt dat ze zich de eerste dag bij stevige wind steevast een beetje beroerd voelen. Je neemt het op de koop toe, omdat je weet dat het komt en dat het overgaat. Het is als blaren en zere voeten bij een wandeltocht, als zadelpijn bij een fietsvakantie in de heuvels van Toscane. Het hoort erbij en je zeurt er alleen over als je werkelijk doodziek bent. Want tegen het beetje ongemak weegt veel op. Wie er niet tegen kan die blijft maar weg.

De afgaande wacht trekt zich terug en ik moet de koers houden, achter zo'n rond rad met zicht op het bolle verlichte glas van het kompas. “Houd 'r maar op 26”, klinkt het uit de hut, waar door een van mijn maten de koers wordt berekend. Hij bedoelt dat ik de naald van het kompas moet houden op 260 graden en dat valt niet mee. Ik draai heen, ik draai een slag terug en de naald schiet steeds opnieuw te ver door. Het schip reageert snel, het kompas is veel trager. “Stel je voor dat het schip om het kompas draait”, is de raadselachtige raad die ik krijg. De aanwijzing helpt, al snap ik niet hoe. Van Siebe uit Dokkum leer ik later op de dag dat je je niet blind moet staren op dat kompas.

Pagina 5: Het is beter je te oriënteren op de horizon en het windpijltje boven in de mast, en daarbij het grootzeil niet te laten 'killen'. “Het kompas gebruik je als controle”. Wat hij bedoelt is: vertrouw maar op je gevoel. Siebe kan niet alleen goed zeezeilen, hij vertelt achteloos over zomerse bergtochten per fiets en intensief geschaats in de winter. “De elfstedentocht? Mij niet gezien. Daar ben ik nooit lid van geworden. Teveel krabbelaars”. Hij weet alles van Admiraal Nelson.

In de verte doemt uit de nevels een enorm schip op. “Op elf uur zit er nog een en op twee uur ook” - het aanduiden van een plek op zee geschiedt in termen van het horloge. Wie voorrang heeft is niet aan de orde, zij zijn groot en wij klein. We wijken drie maal wat uit, want “die slijmerds zitten op ramkoers”. De grote roestige oerboten passeren ons en verdwijnen in het niets, van de ene Twilight Zone in de andere. Het stuurrad en ik begrijpen elkaar iets beter. Eindelijk rust om eens om me heen te kijken. Het wordt licht (het is oktober en de zomertijd geldt nog) in prachtig roze schijn om staalblauwig water. De golven zijn kort en fel, de windkracht 5 Beaufort. Dit is ruig en intens, zonder weerga voor een binnendier als ik ben. Schrikt mijn maag van een serie grote golven, dan drink ik een pakje chocomel. Buiswater spuit op en af en toe valt er een bui. Een weggewaaide uil doemt op uit de schemer en cirkelt om het schip. Bruin, veel groter dan een meeuw, een somber oud heertje. Zag dat het licht werd, dacht: ik moet slapen. Keek naar beneden en ontwaarde geen bomen maar water. Hij strijkt neer op de radar en blikt uit zijn ronde, witomrande ogen naar ons of wij gek zijn. Ik hoop dat hij meevaart tot Engeland, het is zijn enige kans. Maar nee. Na een meewarige blik over zijn schouder slaat hij zijn wijde vleugels uit. Die haalt het nooit, zegt Jaap. Jaap is voor de tweede keer mee met de Nirwana, verslingerd aan het zeezeilen na een letterlijk ijskoude 'bikkeltocht' aan het begin van het seizoen. Jaap kan uren praten over popmuziek van toen en nu. Hij maakte Neil Young mee, spreekt hartstochtelijk over Bob Dylan en over David Bowie. Hij heeft een groot muziekhart waar altijd meer bij kan en hij houdt nu net zo hartstochtelijk van Portishead en Headrillaz. Jaap neemt het stuur over, ik ga kijken hoe ver ik kom met navigeren.

Navigeren en het logboek invullen leer ik van de zwijgzame Friso en van Joost, een Amsterdammer met een eigen boot. Hij draagt haar portret in zijn portefeuille. Ze wijzen me hoe je de koers van het schip berekent en uitzet met hulp van de satelliet-aanduiding van noorderbreedte en westerlengte, van windrichting en windkracht, en van Noordzeekaarten vol kleine pijlen en getallen waarin stromingen en invloeden van eb en vloed verdisconteerd zijn. Ze leggen uit hoe je de scheepspasser hanteert - een instrument dat eeuwen geleden al zijn volmaakte vorm kreeg en er nu nog altijd zo uitziet als op 17de-eeuwse Hollandse schilderijen. Een sierlijk koperen werktuig met een rond oog en scherpe stalen punten. Ik teken, murw van het rekenen met gradenboog en passer, eindelijk met potlood een kruisje op de kaart van de Noordzee. Ik zet de tijd erbij en word toegegrijnsd door Friso: “Simpel toch?”

We gaan afwassen, koffie zetten, boterhammen maken voor de volgende wacht. Na de wacht snak je naar slaap en duikt vrijwel iedereen minstens anderhalf uur zijn kooi in. Bekaf maar voldaan en met als effect dat er op de raarste ogenblikken en de hele dag door mensen tevoorschijn komen met slaapkapsels en bedrimpels. Aan boord telt niet het normale dag- en nachtritme van de wal, maar het wachtloopritme: zes uur rust na drie uur aanpoten. In die rust zitten de bemanningsleden te lezen of te praten. Ze koken voor zichzelf en elkaar, luisteren naar muziek en bemoeien zich en passant altijd en voortdurend met het schip. Er is een hartstochtelijk gevoerd gesprek over de jeugdboeken rond De Kameleon: groter zwelgen in scheepvaartromantiek bestaat niet.

In een van die rustperioden vraag ik Laurens de Jong naar de ziel van zijn schip. Arthur van Schendels Het fregatschip Johanna Maria heeft hij niet gelezen, maar hij weet meteen wat ik bedoel. Zijn gezicht, steeds klaar om te geinen en te dollen, wordt ingekeerd: “Ja natuurlijk. Elk schip heeft een ziel en als je je best doet, leer je die kennen. Dat is geen magie, dat is een kwestie van goed onderhouden. Je moet steeds alles nalopen. De motor, de zeilen, de buitenkant, de binnenkant. Je moet koper poetsen, boenen, wrijven. Ben je niet goed voor het schip, dan werkt het niet mee. Je krijgt een hekel aan elkaar. 'Pokkeschip' denk je en zij zal ermee ophouden en dat doet ze altijd op het meest kritieke moment. Het geldt niet voor elk schip. Ik heb eens een winter gewerkt op een duwboot. Die zei me niks. Gewoon een blok ijzer. Goed zijn voor een schip is niet moeilijk, want je maakt samen zoveel mee. Als we weer ergens door zijn gerold, geef ik d'r altijd een klopje: 'Goed zo, meissie'. Ik zou twee weken met vakantie naar Ierland gaan, met een vriendin. Na acht dagen zat ik in een vliegtuig terug. Ik miste mijn scheepje.”

We naderen de Engelse kust, en het eerste streepje 'land in zicht!' is inderdaad een sensatie. Het loopt tegen half zeven in de avond. 106 mijl hebben we erop zitten, zo'n 190 kilometer. Omdat ik de nieuweling van het gezelschap ben, mag ik het schip de haven van Lowestoft insturen, langs de verlichte boeien en op basis van geschreeuwde waarschuwingen voor zandbanken (“waar de de golven schuimkoppen hebben!”). De motor staat weer aan, de zwoegende bemanning heeft het klapperende grootzeil gereefd. We moeten tegen de stroom in en ik hang zwaar aan het stuurrad om het schip tot de orde van de dag te bewegen. Met grote klappen plonsen we dwars op de golven. Mijn gezicht wordt zoutstrak. Ik moet het schip tussen twee hoge palen in zien te krijgen, en daartoe moet ik de haven eerst 'openvaren'. Dat wil zeggen, ik moet er binnen kunnen kijken voor ik het stuurrad omgooi. Het lukt en ik voel me kinderachtig triomfantelijk.

We leggen aan. Artikel 17 van het Boordreglement wordt van kracht: 'Eens per dag loopt de bemanning het schip na en maakt ship/shape'. Poetsen en stofzuigen. Dan koken en eten. Pas daarna kunnen we van boord. Diep in de nacht word ik wakker van een regelmatig gezaag. Even lig ik me te ergeren, tot ik het doorheb: dit is geen mens, dit zijn touwen, krakend langs de boeg. Het schip snurkt. En het schip vergeven we alles. Ogenblikkelijk val ik weer in slaap.

De volgende ochtend vroeg zetten we koers naar het zuidelijker gelegen vissersplaatsje Southwold. Het heeft een getijdenhaven. Met vloed varen we binnen, met afgaand water zullen we morgen weer naar buiten varen. We varen tussen vissersketen aan de ene kant en weilanden aan de andere kant, worden begroet door roerdompen en koeien. Pas hier, in dit haventje, zullen we eindelijk kunnen douchen, op een één kilometer verder gelegen camping. Onderweg poets je je tanden en trek je wel eens schoon ondergoed aan, maar je wassen bij het kraantje in de wc is toch meer iets voor zomers weer. Iedereen is vuil, iedereen stinkt, dus dat maakt niet veel uit, maar ineens is fris benijdenswaardig. Sufgedouchet scharrel ik terug langs de rommelige kade met de vissersbootjes. Ze dragen namen als Woodstock, Friday Girls, Little Mo maar gelukkig ook een keer Festina Lente. Vroeger was het hier druk, nu is het stil. Alleen een paar vasthoudende vissers bleven. Wie wil kan, op voorspraak van de schipper die ze al jaren kent, een dagje met ze mee, dat vinden ze gezellig. Verder is er een natuurgebied, een verwaaid strand, een stille golfclub met velden van peau-de-suède-gras, een scheepswinkel annex koffiehuis en een pub waar 's avonds de sterke verhalen losbarsten over met Hollandse jenever te lijmen havenmeesters en legendarische bemanningsleden.

Ik word wakker. “Ik was om vijf uur wakker en toen om half zeven”, murmelt iemand boven. “Het enige waar ik mee bezig was: dat schip, dat schip, dat schip.” Het antwoord: “Dan was je er niet goed mee bezig.” De radio gaat aan. Shirley Bassey zingt Goldfinger en beide sprekers zoemen mee. De schepen rekken zich uit naar het dunne zonnetje en meeuwen omsingelen ons, met zonlicht rossig via het water weerspiegeld op hun witte borstveren. We varen weg, terug de Noordzee op, naar IJmuiden. We eten gerookte haring, de meeuwen duiken naar de graten.

Dit keer lopen mijn maten en ik de hondenwacht. De wind valt terug en de zee strekt zich lui uit. We worden bespied door honderden sterren en ik vind het logisch dat je op basis van de kleine beer en het aantal handbreedtes dat die van de horizon verwijderd is, bij benadering kunt vaststellen op hoeveel graden noorderbreedte je zit. De maan komt te voorschijn. Hij heeft een duidelijk gezicht en stijgt idioot snel omhoog. We varen een eindje langs haar yellow brick road - want dat is duidelijk, die weg naar de wonderen van het Land van Oz ligt hier te glimmen, uitgerold door de maan.

Er is geen ander schip te zien, we zijn alleen op de wereld. Die wereld is rond, dat lijdt geen twijfel, je ziet 'm duidelijk krom afbuigen. Het kan geen kwaad dat van tijd tot tijd persoonlijk vast te gaan stellen. Bij voorkeur vanaf een zeilschip.