Een toerist met gereedschap

'Vakantie is een degeneratieverschijnsel', heeft drs. J. P. A. Gruyters gezegd. Hij had daarbij niemand in het bijzonder op het oog; niemand hoefde zich beledigd te voelen; hij sprak in het algemeen. Impliciet prees hij het werken, de arbeid - ook in het algemeen - en dat hebben er veel meer gedaan.

Het belangrijkst is dat werken ons behoedt voor een kwaad geweten. Dat komt door het arbeidsethos. Ledigheid is des duivels oorkussen. Zonder het puriteins, calvinistisch arbeidsethos hadden we, volgens R. Tawney en Max Weber niet eens het kapitalisme tot stand kunnen brengen, en dit heeft eindelijk de wereld veroverd. Vakantie, het recht op vakantie komt voort uit het socialistische denken. Dit is nu door sommigen zo ver in het extreme gedreven dat ze iemand die aan werken de voorkeur geeft als het slachtoffer van een verslaving beschouwen. Zo iemand wordt een werkoholist genoemd. Ook volgens de moderne kapitalist is overigens vakantie onvermijdelijk en nuttig, want daarmee houden we de toeristenindustrie op gang. Maar er is niets dat ons dwingt om in de vakantie het werken te staken. De uitspraak van Gruyters vraagt om een variant die de oorsprong niet terzijde schuift. 'Vakantie is verandering van werk.' De vraag is dus niet of we twee of drie weken per jaar ergens anders zoveel mogelijk moeten gaan liggen, maar welk ander werk we in die tijd zullen gaan doen.

De meeste mensen maken in hun vakantie kiekjes - iets anders dan foto's die vaak een kunstzinnige bedoeling hebben. Een vakantiekiekje is niets anders dan een historisch document: 'leuk voor later.' Men legt er twee dingen mee vast: de situatie en hoe men zich daarin voelde. De Toren van Pisa en hoe men die tegenhield. (Er zijn ook mensen die met hun rug tegen de Toren zijn gaan staan en een foto hebben genomen van het grasveld ervoor, vol mensen die de Toren tegenhouden). Dat zijn incidenten uit een reisvakantie. Ik bedoel de vakantie waarin men twee of drie weken op dezelfde plek is, dezelfde berg, in hetzelfde dorp. Men kan er een werkvakantie van maken, op grondslag van het 'leuk voor later'. Kort gezegd, men bereid zich er dan op voor, niet met toevallige kiekjes, maar systematisch, minutieus, om dertig, veertig jaar later of nog verder in de toekomst, de archeoloog van het eigen verleden te zijn. Het eerste dat de archeoloog van zijn eigen toekomst nodig heeft is gereedschap.Sommig gereedschap dat hij nu gebruikt zal straks ouderwets zijn en producten hebben afgeleverd die dan als gebrekkig worden beschouwd. Om de kloof tussen het nu van de registratie en het later van de archeologie zo klein mogelijk te houden, zal men zich het modernste moeten aanschaffen. Om ter plaatste niet tot de ontdekking te komen dat men belangrijke dingen thuis heeft laten liggen doet men er goed aan, een lijst van de benodigdheden aan te leggen.

1. Een lang meetlint.

2. Pen, inkt, potloden, puntenslijper, vlakgum.

3. Een groot notitieboek met ongelinieerd papier of een schetsboek.

4. Een ijzeren schepje.

5. Een aantal glazen of plastic potjes zoals die waarin de luchtvaartmaatschappij jam en honing serveert. Plastic doosjes.

6. Een schaar of mes.

7. Een herbariumboek met absorberend papier.

8. Een fototoestel.

9. Een videocamera.

10. Een bandopname-apparaatje.

Laten we aannemen dat het vakantiedoel een chalet in Oostenrijk is, of een boerderijtje in de Dordogne, op loopafstand van een intiem dorp. Het chalet/boerderijtje heeft een tuin met een paar bomen en bloeiende planten. Niet ver van dit onderkomen murmelt een beekje en klatert een kleine waterval. De weg naar dit dorp met zijn typische eethuisjes en café's gaat over het bruggetje over de beek.

Men arriveert wat versuft van de reis met vliegtuig en bus. Men verkent het huis. Niets ziet men ooit nog eens zoals men het de eerste keer heeft gezien. Alle keren zijn onherhaalbaar, maar voor de eerste keer geldt dit met onvergelijkelijk hoger intensiteit. Daarom: zet bij de eerste aanblik van het chalet/boerderijtje het geluidsapparaatje al aan. Registratie van de ontdekkingen: uitzicht, kwaliteit van de bedden, hoe de lakens en de rest ruiken, kleur van het eerste water uit de kraan.

De volgende dag moet een lid van de familie, door het lot aangewezen, alles opmeten en in kaart brengen op de eerste bladzijde van het notitieboek. Dit heeft een bijzondere reden. Wordt de vakantie later als geslaagd beschouwd, dan zal alles in de herinnering steeds groter worden; en mutatis mutandis geldt het tegendeel. Bovendien zal men merken dat na verloop van tijd de exacte plattegrond een steun is voor de verbeeldingskracht; helpt bij het oproepen van perspectieven, kleuren en alles wat daarmee samenhangt, en dat is heel veel. Ik verwijs naar Marcel Proust. Neem dus de maten van alles op: kamers, tuin, enz. Dit is het vervelendste werk, en wie het meteen doet is ervan af.

De volgende dagen gaan voorbij met het 'inburgeren'. Dit opzichzelf kunnen we als plezier beschouwen dat ook werk is. Werk in de beste zin. Men leert de omgeving nader kennen, er groeit een zekere band met het personeel van een bepaald café, een restaurant, er ontstaat ook een verhouding met de aardige/vervelende mensen in de aangrenzende verblijven. Dit alles wordt vanzelfsprekend aan het einde van iedere dag genoteerd door degene die aan de beurt is om secretaris te zijn. Om de menselijke verhoudingen zo waarheidsgetrouw mogelijk vast te leggen, neemt men op den duur de apparatuur mee, ter registratie van kenmerkende gesprekken en andere typische zaken.

Intussen wordt ook flink in het schetsboek gewerkt: een bergkam aan de horizon getekend, en ook de voorkant van het huis, en de rest. Hier blijken de voordelen van het zelf tekenen (wat iedereen met een beetje oefening kan). Pas wat men heeft getekend, of geschilderd, staat scherp in het geheugen gegrift en is nu bovendien in het schetsboek opgeslagen. Aan de schetsen worden verklarende teksten toegevoegd. Het gaat al een beetje op een pagina van Leonardo da Vinci lijken. En laten we beseffen: Leonardo had nooit van vakantie gehoord, hij had het een absurd idee gevonden.

Na een week ongeveer heeft men in dit werken aan het materiaal voor de archeologie van de toekomst zoveel plezier gekregen dat een moderne psycholoog het begin van een verslaving zou vaststellen. Maar het is geen verslaving; het is de mooie menselijke drang naar volledigheid; die energie tot scheppen. Of in dit geval, men is bezig met het herscheppen van een vakantie voor later. Daarom heeft men het schepje, de potjes en de doosjes meegenomen. De bodem van Oostenrijk en de Dordogne is anders dan die van Nederland. Vandaar dat men grondmonsters gaat nemen, waarbij men ook weer systematisch te werk gaat: op de kaart krijgt de plaats waar het monster is genomen een nummer, en dat wordt ook op het gevulde potje geschreven. De flora wordt op dezelfde manier geregistreerd: een blad van boom en plant geplukt, een bloem, en dit allemaal in het herbarium opgeborgen met verwijzing naar een nummer op de kaart en misschien de tekening die men intussen van het gewas heeft gemaakt. Het is wellicht jammer dat geuren niet kunnen worden opgeslagen - of niet,want gesteld dat men straks een buisje zou hebben met een geur van veertig jaar geleden, dan was het toch na één keer ruiken op, zodat men dit waarschijnlijk weer niet zou durven. Door deze technische onuitvoerbaarheid wordt dus voorkomen dat men in 2037 voor een dilemma staat.

Nu de doosjes. Die zijn voor de insectenwereld. Het staat me tegen, een insect dood te maken om later tevreden naar het levenloze overschot te kunnen kijken. En hoewel er oneindig veel meer insecten dan mensen op de wereld zijn, vindt men zelden een dood insect. Maar de natuur helpt, op twee manieren. De talrijke vliegen en mieren in het Nederland van straks zullen er waarschijnlijk hetzelfde uitzien als hun even talrijke familie van nu in Oostenrijk en de Dordogne. Wat dat aangaat hoeft men dus niets te bewaren. En ten tweede: mieren wijzen de weg. Als men er veel op één plaats bezig ziet, dan zijn ze meestal aan het werk op en in een groot, dood insect. We nemen de mieren hun maaltijd af en bergen die op in een doosje. De neushoornkever, de horzel, de grote mestkever, de kakkerlak, andere vervaarlijke insecten. Misschien geven ze nog een zwak teken van leven, maar ze zijn allang niet meer te redden. Al met al blijft zoiets een drama dat men niet zal vergeten; zeker als men nog kind is.

Aan het einde van deze vakantie is het hele verblijf ruimtelijk, stoffelijk, in beelden en chronologisch vastgelegd. Deze hele verzameling van plattegronden, perspectieftekeningen, specimina van flora en fauna, het foto-, film, en geluidsmateriaal kan gemakkelijk worden opgeborgen, ook al weer systematisch, overzichtelijk, in een paar schoenendozen. Het wordt weer winter. Men opent de dozen. Daaruit komen niet alleen de tijd, de ruimte en al het andere van een complete vakantie. Er is iets aan toegevoegd: de herinnering aan een avontuur dat bestaat uit werk. Dat is al iets bijzonders. Daarbij komt nog dit: het is niet uitgesloten dat historici en archeologen die veel later zullen leven, u er dankbaar voor zijn.