Een hallucinerende cocktail; Vakantiewerk met idealistische inslag

Aardappels rooien met depressieve DDR- burgers op een vervallen landgoed bij Dresden. Internationale vakantiekampen bestaan, ook na de val van de muur. 'I love Otto von Bismarck.'

Vliegen kruipen over het tafelzeil, op het brood, in de suikerpot. De eerste deelnemers van werkkamp VJF 5.1 hangen rond in de keuken. Ostap en Dima, studenten uit de Oekraïne zijn er al een dag, Zoë uit België heeft 's nachts gereisd. De rest laat op zich wachten.

Ostap doodt de tijd met vragen aan kampleider Elena, een Berlijns meisje van twintig. Heeft Duitsland een koning? Krijgen we typisch Duitse gerechten te eten? Ostap studeert filosofie. Na een half uur heeft hij het onderwijssysteem van de Oekraïne uit de doeken gedaan. Zoë zwijgt en wuift vermoeid de vliegen weg. Als ook de Belg Frank en de Japanse Tomomi zijn gearriveerd deelt Elena Kindersurprises uit om het ijs te breken. “Kijk eens wat ik hier heb!” roept ze even later en hijst een emmer vol verse augurken op tafel. Dan daalt ze met haar zwarte hond af naar het dorp om de volgende reizigers van de trein te halen. Tomomi studeert Duitse geschiedenis. “I love Otto von Bismarck”, zegt ze achteloos.

Wie druiven gaat plukken in Frankrijk of tijdelijk verhuist naar een kibboets weet van te voren enigszins wat hij zal aantreffen. De beschrijving van dit internationale zomerkamp voor jongeren in de buurt van Dresden bedraagt in Nederland slechts drie zinnen: 'Tuinwerk, oogsten van appels, aardappelen en bieten bij boerderij op kasteelterrein. Samen met verstandelijk gehandicapten, die op het terrein wonen. Simpele acc.: tenten of huis bij kasteel.' Verder zit kort voor vertrek een A4'tje op kringlooppapier bij de post, van de Vereinigung Junger Freiwilliger in Berlijn en verstuurd door de Nederlandse zusterorganisatie SIW. Het roept op een slaapzak mee te nemen, waarschuwt voor “very simple conditions” en geeft een routebeschrijving met handgetekend kaartje voor het laatste deel van de reis, van station Dohna naar het landgoed Gut Gamig.

Een breed graspad voert de helling op, tussen kersenbomen en weiden met koeien vol vliegen. Boven is het stil. Het uitzicht strekt zich uit van Elbedal tot Ertsgebergte. Aan een klinkererf staan grote schuren en huizen. Een ervan, met een torentje, is het kasteel. Verwaarlozing is het eerste dat opvalt. Er zitten scheuren in de muren en gaten in de daken. Hier en daar liggen hopen schroot. 'VEG' staat op een pannendak, Volkseigene Genossenschaft, een souvenir van de veertig jaar dat het 'riddergoed' het volk behoorde. Eén gebouw heeft vers pleisterwerk. Het is de woontoren van de patiënten, een omgebouwde graansilo.

Het internationale werkkamp betrekt een vleugel in het zestiende-eeuwse kasteel. De vertrekken zijn kaal en hoog, er staan slaapbanken en er liggen stapels kussens die kunnen dienen als matras. Bruin behang bobbelt over de muren. Manshoge betegelde bouwsels blijken kachels te zijn. Kasten ontbreken, zodat het parketzeil op de vloer al snel bezaaid is met half uitgepakte rugzakken, kledingstukken, kammen, flessen lenzenvloeistof. Er is geen tv of telefoon, noch warm stromend water in de keuken. Wel staan daar een koffiezetapparaat en een draagbare radio-cassetterecorder. In een bijgebouw zijn warme douches. Tegen de avond heeft het kamp tien deelnemers, verdeeld over zes landen van herkomst. Een Engels meisje is gestrand in Berlijn en zal een dag later arriveren. Twee meisjes uit Roemenië en Slowakije hebben verstek laten gaan. Dat is een redelijke score, zo leren verhalen. Iemand heeft meegemaakt dat bij een werkkamp in de bossen van Polen acht van de twaalf vrijwilligers wegbleven, inclusief de kampleider. Ook de 'very simple conditions' blijken relatief. Tomomi komt rechtstreeks uit Ghana, waar ze in een ander werkkamp heeft geholpen bij de bouw van een school. Het was moordend heet, ze sliep op een plank en werd uitgejouwd door de lokale bevolking. De eveneens Japanse Ryoko komt met ongeveer dezelfde ervaring uit Turkije, waar ze afval heeft verzameld langs de kust.

Pagina 13: De twee kennen elkaar niet. Omdat het warm is rijdt Christian, student Chinees en assistent-kampleider, een deel van de groep tegen zonsondergang naar een meertje. Het blijkt een afgraving te zijn, vermoedelijk van grindwinning. Op de achtergrond dreunt een pomp of generator.

Hoogspanningsmasten staan als woudreuzen langs de kant, in de verte zijn flats te zien. Het water lijkt schoon. Bordjes, afvalbakken en snackkarren ontbreken, wat de plas ondanks zichzelf een zekere ongereptheid geeft. Dorpelingen uit de omgeving hebben er een nudistenbad van gemaakt. Vrouwen trekken grote witte onderbroeken uit en plonzen in het water. Mannen staan pront aan de oever op de uitkijk. De werkkampers houden zedig hun zwemkleren aan.

“Ah, es gibt viele Männer dabei”, mompelt psychiater Renate Frühauf tevreden als het werkkamp haar de volgende ochtend voorbij defileert. Frühauf blijkt de geestelijk moeder van Gut Gamig te zijn. Na de val van het communisme is het landgoed in handen gekomen van de deelstaat Saksen, die het bestemde tot modelbedrijf voor biologische landbouw annex 'Rehabilitationseinrichtung' voor psychiatrische patiënten. Zestien van Frühaufs patiënten, te goed voor de kliniek en te zwak voor de maatschappij, bevolken de woontoren. Ongeveer negentig anderen komen met busjes uit dorpen in de omgeving. Ze werken op het land, in de stallen, in de stoffeerderij, kleermakerij, meubelmakerij, pottenbakkerij en in het café, de enige plek op het landgoed die fraai is opgeknapt - parket, kroonluchters en pluche stoelen.

De meeste patiënten lijden aan schizofrenie of zijn manisch depressief. Doodgeknuffeld worden ze niet: Frühauf is de enige psychiater en ze is hoogstens drie dagen per week aanwezig. Verder zijn er twintig vaste medewerkers en veel tijdelijke krachten als 'Zivi's' (dienstweigeraars), stagiaires en langdurig werklozen met een jaarcontract in het kader van een Arbeitsbesetzungsmassname (ABM). De internationale vrijwilligers zijn het vluchtigst - drie weken per jaar bieden ze een helpende hand bij de oogst en andere klussen.

In de balzaal van het café toont Frühauf een Duitse video over schizofrenie en spreekt met liefde over haar patiënten. Zij zijn - in tegenstelling tot wat de reisinformatie zei - niet verstandelijk gehandicapt maar, benadrukt Frühauf, veelal intelligent en gevoelig en zo worden ze ook graag benaderd. Ze drukt de werkkampers op het hart niet de therapeut uit te hangen. Bij een eerder werkkamp hadden de studenten zo lang ingepraat op een uitzonderlijk muzikale en begaafde patiënt (“Wat doe jij hier, jij hoort hier niet”) dat hij eerst ontevreden geworden was over zijn leven en later weer psychotisch.

Op hun beurt vertellen de deelnemers in vaak moeizaam Engels waarom ze deze vakantie hebben gekozen. De meesten spreken over internationale uitwisseling, het verbreden van de blik, werken in de buitenlucht en contact met de patiënten. Frank is manisch depressief en wil meer over zijn ziekte te weten komen. Aan de universiteit van Leuven schrijft hij een scriptie over de geschiedenis van het denken over psychiatrische ziekten. Ryoko studeert economie, maar voelt zich meer aangetrokken tot ecologie. Zij komt vooral voor de biologische landbouw.

Later blijken ook profanere motieven een rol te spelen. In tegenstelling tot de anderen krijgen de Oekraïeners en de Pool Wojciech een vergoeding voor het kampwerk (150 D-Mark). Wojciech, een economiestudent uit Kraków, was anders waarschijnlijk thuisgebleven. Dima heeft een geheel eigen reisdoel: de aanschaf van een tweedehands auto voor zijn vader, die minder gemakkelijk aan een Duits visum komt dan zijn zoon.

Voor het werk, zo'n vijf uur per dag, worden de vrijwilligers verdeeld in kleine ploegen. Een aantal mannen helpt bij de verhuizing van enkele ambachtelijke afdelingen naar een nabijgelegen stad. Anderen plakken 'ecologisch geteeld'-stickers op courgettes, graven een greppel voor de omheining van een kippenhok of harken een aardbeienbed aan.

Als er even niets te doen is zijn er altijd nog kratten vol uien. De rotte moeten van de goede worden gescheiden en de vuilste schil moet eraf. “Eigenlijk moeten we een prijs instellen voor wie de meeste uien pelt”, oppert Ostap tijdens een uiensessie in de tuin. “Ik heb gelezen dat mensen beter werken als er concurrentie is.”

Op een ochtend brengt het hoofd landbouw een vrouwenploeg van drie in zijn Trabant naar het aardappelveld. De oogst is er al in volle gang. Een rooimachine als een fabriek rammelt achter een tractor over het veld, woelt de grond om, trekt alles eruit en scheidt de aardappels van planten en klei. Ernaast rijdt een kleine pick up-truck die de uitgespuwde aardappels opvangt. De vrijwilligers komen hoog op de rooimachine aan de lopende band te staan om achtergebleven klei en planten handmatig te verwijderen. Aan de band staan al twee vrouwelijke ABM-ers. Ze kijken nors en zeggen niets.

In hoog tempo huppelen de aardappels voorbij. Het werk varieert van rustig uitpikken tot paniekerig graaien. Tomomi slaagt erin zelfs dit gracieus te doen. Er is geen tijd om te denken en te veel lawaai om te praten. Een keer komt met de klei een dode rat mee. Na een tijdje worden het schuddende rijden, het geratel van de band, de loeiende motor, de uitlaatgassen en de opspringende aardappels een hallucinerende cocktail. Maar er zijn pauzes: Na elke twee voren is de laadbak vol en moet de pick-up naar boven om de aardappels te lossen.

De patiënten werken in aparte ploegen, contact is niet vanzelfsprekend. Om de integratie te bevorderen organiseren de Zivi's een zomerfeest op het bordes. Er is mineraalwater, appelsap van het huis, tomatensla en worst van de barbecue. Rond acht uur worden de pillen uitgedeeld. De avond begint met verregaand afwachtend aankijken. Vooral een donkere man met aardappeletershoofd, Andreas, heeft een omineuze staar. Voor de gelegenheid draagt hij een kanariegeel pak.

Later vormen zich voorzichtig de eerste gesprekken. Axel, die in de pottenbakkerij werkt, vertelt dat hij een licht geval is omdat hij maar een pil per dag slikt. “Het komt allemaal door het communisme”, zegt hij over zijn ziekte. Stefan vraagt vrijwilligers ten dans. Met moeite leidt hij me op een Duitse versie van Woman in Love door een slow fox. Stefan praat altijd, ook als niemand luistert.

Heike, een massief gebouwde vrouw die in de woontoren woont, draagt gedichten voor uit eigen werk. Vele malen versterkt schalt haar onzekere stem over de velden. Als de Zivi achter de draaitafel zich later op de avond overgeeft aan techno-house zit Heike ongenaakbaar op een stoel. Af en toe danst zij, maar ze komt nooit echt in beweging.

Pagina 15: Andere patiënten swingen met overgave en ook het werkkamp komt los. Ostap, de grijpgrage geest, maakt schaarbewegingen met zijn armen. Frank danst alsof hij aan touwtjes hangt; aanstekelijk ritmisch knikt elke beweging door alle scharnieren.

De internationale uitwisseling gaat de hele dag door. Reis? roept Andreas vriendschappelijk als hij Tomomi en Ryoko tegenkomt op het spruitjesveld. Niet-begrijpend kijken ze rond. Rice! vertaalt iemand. Ah, rice, yes, yes, begrijpen de twee, inmiddels gewend aan verwijzingen naar hun nationale gerecht. Volgt een uitwisseling van glimlachen en hoofdbuigingen.

Ostap leert in zijn vrije tijd Engelse woordjes en schakelt de Engelse Cristina in als onbezoldigd lerares. Wat is het verschil tussen disguise en camouflage, wil hij weten, tussen contest en competition. Hij rafelt de taal. Cristina, met lang zwart haar van haar Spaanse vader en een Cockney-accent van school, slikt ongeduld in en legt alles uit.

's Avonds worden de grenzen van de universele cultuur verkend. Bij een spelletje Hints zijn Madonna, Donald Duck en Mickey Mouse geen probleem, maar als Popeye wordt uitgebeeld kijken Ostap en Dima elkaar over de tafel niet-begrijpend aan. Een andere avond vertelt Ostap in moeizaam Engels Russische moppen, waarna Christian hem in nog slechter Engels en hikkend van het lachen uitlegt wie Monty Python is.

Slechts af en toe zetten Tomomi en Ryoko de toon. Op een middag zetten ze een Japans bandje op en proberen twee anderen een kaartspel aan te leren. Daarna: Origami. Meestal zijn ze bedeesd, op het onderdanige af. Beiden zeggen 'yes' op bijna alle vragen, ook waar 'no' bedoeld is. Zo kan het gebeuren dat Ryoko, die zojuist heeft bevestigd dat ze verse Saksische theeworst lekker vindt, even later het nauwelijks beknibbelde stukje aan de hond voert. Tomomi heeft de kleinste camera die god heeft geschapen en een leren omslag met pagina's vol foto's ter grootte van een postzegel. Als er moet worden gewacht, bij groepsreizen een onvermijdelijk verschijnsel, zingen de twee soms plots een teder liedje, zo onopvallend dat niemand er aandacht aan schenkt. Toch zijn ze taai. Tomomi, uit Hiroshima, wil na het kamp doorreizen naar Auschwitz, in haar eentje en met slechts een zeer basale kennis van het Duits (Ich komme aus Japan. Ich bin Studentin. Ich liebe dich.).

Erg huishoudelijk is niemand. Het koken duurt eindeloos. Als Christian afwast bestudeert hij elk bord alsof hij het zojuist heeft gebakken. Bijna slapstick zijn de Oekraïense onderonsjes, geïllustreerd met onwennige bewegingen, bijvoorbeeld over de werking van het koffiezetapparaat. Dima onttrekt zich aan alle corveeën en ook Ostap vindt dat meer iets voor vrouwen. Sowieso is men vrij behoudend. Stimulerende middelen ontbreken, afgezien van tabak.

Dankzij Ostap weet iedereen dat 'Hetman' in Oekraïne het bekendste merk wodka is, maar hij heeft geen fles meegenomen om te laten proeven. Af en toe is er een fles wijn, maar zeker de helft laat die aan zich voorbijgaan, alsof medicijnen het niet toestaan.

Elena houdt strak de hand aan het werkrooster: 's ochtends van negen tot twaalf, 's middags van een tot drie. Een keer komt ze geërgerd terug uit een vergadering met het vaste personeel. Een ABM-er vindt de werk- en schafttijden van het kamp te soepel. “Die begrijpt het niet helemaal”, briest Elena. “Wij hebben vakantie. Zij moeten blij zijn met alles wat we doen.”

Onder het communisme moesten jongeren in Oosteuropese werkkampen stevig aanpoten. Voor westerlingen boden de kampen toen een kans om rond te kijken achter het ijzeren gordijn. Gut Gamig, gelegen in de voormalige DDR, is een product van het einde van de koude oorlog. Het landgoed krijgt geld van de West-Duitse deelstaat Baden-Württemberg en de tractor op het aardappelveld is een schenking van een West-Duits bedrijf. Het allereerste werkkamp was ook zo'n boegbeeld van verzoening en wederopbouw: Franse en Duitse ex-militairen bouwden in 1920 op de slagvelden van Verdun noodonderkomens voor de plaatselijke bevolking. Hieruit ontstond de organisatie Service Civil International, met vertakkingen over de hele wereld. Sinds de watersnoodramp van 1953 heeft ook Nederland werkkampen voor buitenlanders, vorig jaar bijvoorbeeld hooien in Wormerveer.

In Gut Gamig mogen de studenten zich na het werk overgeven aan toerisme. In een moeizame vergadering aan de keukentafel zet Elena de mogelijkheden uiteen. We kunnen Meissen bezichtigen, de porceleinstad, of het pittoreske stadje Pirna. We kunnen naar Dresden, waar een 'intercultureel festival' is. Dan zijn er nog wat kastelen en een gebergte, 'die Sachsische Schweiz'. Frank zegt dat hij wel naar Praag wil, verder blijft het stil. Wojciech martelt langdurig een vlieg met de punt van een stift. “Kom op jongens”, zegt Elena. “Jullie zijn jong, jullie moeten ideeën hebben.” Uiteindelijk bezoekt het werkkamp onder meer Der Zwinger, Dresdens grootste museum met onder meer de Sixtijnse Madonna van Rafaël. De ogen van de geschilderde heiligen, dronkaards en verliefden herinneren aan die van Heike, Axel en Andreas. Ook hangt er 'Rembrandt en Saskia als in de Verloren Zoon', volgens Elena op Duitse scholen de archetypische Rembrandt. Wie de verloren zoon is weet ze niet, de bijbel is haar onbekend. Na afloop is Ostap sceptisch. Hij gelooft niet dat een arm land als de ex-DDR zo'n omvangrijke kunstcollectie kan hebben, en denkt dat de meeste 'buitenlanders' reproducties zijn. Ryoko en Tomomi zijn ontevreden; ze vonden de collectie te donker.

De klok op het erf staat stil. Op het landgoed hangt een tijdloze loomheid waarin de patiënten zich lijken te koesteren. Op een geschilderd en geplakt papieren drieluik in het café staat een gedicht van Heinrich Heine: Leise zieht durch mein Gemut/Liebliche Geläute/ Klinge, kleines Frühlingslied/ Kling hinaus im Weide. In de loop van deze eeuw is het riddergoed van de ene revolutie in de andere getuimeld. Na de oorlog gebruikte het Rode Leger de hofkapel als kippenstal, nu bewerken allerlei verschoppelingen het land. Aan het begin van de kasteeltuin staan twee verweerde beelden in toga. Een ervan lacht sardonisch. Het landgoed geniet van zijn surrealistisch lot.

Stefan en Andreas zitten buiten de woontoren te roken. Stefan vertelt een lang verhaal over hoe hij de avond tevoren in slaap is gevallen terwijl hij naar Der Alte keek. Andreas wil weten of er in Nederland ook steden en trams zijn. Allebei hebben ze iets onderzoekends, als mollen. Thomas komt langs met in zijn armen een kip die bekend staat als 'das blinde Huhn'. Hij zet haar neer, trekt een graspol uit en voert de kip een worm.

De dromerige sfeer krijgt vat op het werkkamp, mede dankzij slaapgebrek door doordeweeks uitgaan en nachtelijke activiteit van muggen en vliegen. Meter voor meter trekken buitenlandse studenten over een akker waar het onkruid knie- tot dijhoog staat. Grote bladeren glijden knisperend langs de laarzen. Dauwdruppels schommelen en breken. Een donkerbruin padje ontsnapt aan alle schoffels en hijst zich traag van blad tot blad. Het is september, een nazomerdag. Af en toe klinkt er een kip of kerkklok in de verte. Het waait niet. De wanen hangen bijna tastbaar in de lucht.