De vingerafdruk van Flipper; Dolfijnen tellen in de Middellandse Zee

Apen turven, fruitvleermuizen spotten, wolvenkeutels rapen, eco-toerisme biedt de natuurliefhebber de kans vakantie te combineren met natuurbehoud. De natuur werkt niet altijd mee.

Eerst even een dolfijn redden, had Elena Politi door de telefoon gerateld. Daarna komen we je oppikken, kijk uit naar een rubber motorboot, I'll explain later, ontbijt maar uitgebreid, sorry, it's a mess over here!

Tijd genoeg om ansichtkaartje te spelen. Aan weerskanten: witte huizen en bonte waslijnen van het Griekse kustdorp Mytika. Op de voorgrond een glas ijskoffie. Een tafelkleed dat toepasselijk wappert in de zeebries. Het gammele steigertje van pittoresk rottend hout. En ah, daar zijn de visnetten al. Drie pruttelende eenmans-scheepjes, een sinaasappelkistje met de magere vangst van een ochtend. Voorts twee oude vrouwen die op suikerbroodjes kauwen en soms gapen.

De Ionische Zee is nog grijs en glad als glas in het ochtendlicht. Turen naar de donkergroene bult in de verte: het kleine eiland Kalamos, waar bijna niemand wonen wil. Daar ligt het acht inwoners tellende gehucht Episcopi, de basis van het Ionische Dolfijnen Project. Na een klein uur komt de rubber boot om erheen te varen.

Het reisdoel had ook Ghana kunnen zijn, of India. Een milieubewuste toerist kan als 'eco-vrijwilliger' de halve wereld over. Een eco-vrijwilliger helpt ter plekke met natuurbescherming of onderzoek naar bedreigde diersoorten. Maar waarom Ghanese franje-apen opgezocht, of Indiase fruitvleermuizen ontmoeten, als Flipper je favoriete tv-serie was?

Wolftrail, een Nederlandse organisatie die bemiddelt in eco-reizen, stuurt een folder. Over onderzoek naar wilde dolfijnen in Griekenland. Terstond uit volle borst de Flipper-tune zingen ('Wat een dolfijn, om trots op te zijn!'). Lezen, dan beteuterd zwijgen. Het is niet toegestaan om met de dolfijnen te zwemmen, waarschuwt de folder, omdat wij met respect met de dolfijnen die wij bestuderen omgaan. Maar, schrijft Wolftrail bemoedigend, het zíen van een dolfijn is al een genot op zich. Ja. Ze kunnen zo hartbrekend lief glimlachen.

“Fuck those dolphins”, vloekt Elena Politi bij aankomst in Episcopi opgewekt ter verwelkoming. De mess van deze ochtend begon met een telefoontje: een pleziervaarder had op het strand van het eiland Meganisi twee aangespoelde dolfijnen gezien. Konden de Tethys-mensen snel komen helpen? Dolfijnen laten zich alleen een strand opdrijven als ze ziek zijn en het is altijd een ramp om ze op te vangen, zegt Elena. Ze liggen met hun vinnen op het kiezelstrand, dat doet pijn. En bij vloed moet je ze blijven vasthouden, zodat ze boven water kunnen ademen. Ze sterven meestal toch. “Dan liever een dode dolfijn, die kun je tenminste nog opensnijden”, zegt Elena. “Kijken wat er in de ingewanden zit. Wat ze ziek maakte.” Maar toen ze Meganisi na twee uur varen bereikten, was er geen dolfijn meer te bekennen. Waren ze toch weer weggezwommen.

Op het erf rennen konijnen en krabben als schapen met hun hoeven over droge grond. Tussen stof en stenen is geen grasspriet meer over. Rondom ploffen zachte vijgen uit de bomen. Om twaalf uur 's middags is het te heet om buiten te blijven. Binnen is de ruimte krap, daar moet een eco-vrijwilliger tegen kunnen. Sorry en scuso giechelend rollen we onze slaapzakken uit op de stapelbedden van het 'volunteers'-slaapkamertje. Voor je het weet stap je in de koffer van een ander. We zijn met vier vrijwilligers: Marie-Angela uit Milaan is verkoopster van telefoonaansluitingen, Chiara werkt in Bergamo als secretaresse. Zij wilden “gewoon een keer” iets anders dan het strand. “Ik ben vegetariër dús hou ik van dolfijnen”, zegt Marie-Angela, en daarmee is voor haar de kous af. Helmi uit Middelburg verzorgt als vrijwilliger een bruinvis, familie van de dolfijn, in Ecomare op het eiland Neeltje-Jans. Ze heeft een jaar gespaard om hier dolfijnen in vrijheid te zien.

Zeven maanden per jaar doet het Milanese Tethys-instituut, een organisatie voor de wetenschappelijke studie van het zeemilieu, rond Kalamos onderzoek naar dolfijnen. Tot het te koud is in het huisje in Episcopi. Het is een bouwval, maar met een koninklijk uitzicht op de archipel. Elena Politi (31) leidt het dolfijnenonderzoek. Iedere ochtend vroeg, als de zee nog glad en te overzien is, vaart ze in haar rubberboot de zee op om dolfijnen te vinden en zo lang mogelijk te observeren. Naast assistentie van twee Italiaanse studenten biologie heeft ze iedere tien dagen nieuwe eco-vrijwilligers om te helpen. Eerder was Politi met hetzelfde doel gestationeerd in Kroatië. Sinds ze twee jaar geleden naar Episcopi kwam, heeft ze hier ruim 160 dolfijnen geïdentificeerd. Dat doet ze door vanuit de boot van ieder afzonderlijk de rugvin te fotograferen. Een vin is spits of stomp, meer of minder gebogen, met op wisselende plekken een inkeping of vlekje. Elke dolfijnenvin is uniek, net als een vingerafdruk.

De volgende ochtend na het ontbijt om zeven uur, als de buurman met een stok amandelen uit zijn boom rammelt en ezeltje Fiora langswandelt om haar dagelijkse appel op te halen, loten we om een plaats in de boot. Zij die pech hebben lopen naar het observatiepunt, hoog op het eiland, waar de archipel bijna helemaal is te overzien. Links Meganisi en Lefkas, een eind zuidwaarts Ithaka. Hier wordt met verrekijkers naar dolfijnen gezocht, en per twintig minuten moet worden geturfd wat aan vissersscheepjes, zeilboten en, vooral, motorboten voorbij komt - dolfijnen zijn extreem gevoelig voor geluid.

Wij mogen kriskras over zee. Al urenlang. We zijn praktisch alleen: nauwelijks vissers, nu en dan een zeldzame toerist. Motorgepruttel en gespannen stilte. We zien vliegende vissen die op kleine zwaluwen lijken. We zien twee keer een tonijn hoog uit het water springen. Maar geen dolfijnen. Elena roept alsof het helpen zou. “Schatjes! Betta, Bill! Nikel, Nikki! Beau, Banana! Wakker worden!” Iedere nieuw gevonden dolfijn - dat wordt gecontroleerd aan de hand van het boek vol gefotografeerde vinnen - krijgt behalve een nummer ook een naam.

Van de meer dan 160 dolfijnen die hier zo werden geïdentificeerd, bestaat maar een vijfde uit Tuimelaars, de grijze dolfijnen van het Flipper-type. De andere zijn de Gewone Dolfijnen. Die zijn zwart met grijs, geel en wit van kleur.

Dat er zo dicht op de kust zoveel Gewone Dolfijnen voorkomen, zegt Elena, was tot nu toe de verrassendste uitkomst van haar onderzoek.

Gewone Dolfijnen zoeken meestal dieper water op. Tot een paar decennia geleden kwamen ze veel voor in de Middellandse Zee. Nu zijn ze, behalve hier, zo goed als verdwenen. Hoe dat komt is nog niet helemaal duidelijk. Elena probeert daarom te ontdekken hoe Tuimelaars en Gewone Dolfijnen zich in hetzelfde gebied, en onder dezelfde omstandigheden, gedragen. Is de Gewone Dolfijn sterker dan de Tuimelaar? Slimmer misschien? Daarom noteert ze alles: hoe ze zwemmen, de samenstelling van hun groep, de duur dat ze boven water blijven, de aard van hun sprongen.

Als tegen de middag de wind opsteekt lijkt iedere golf op een dolfijnenvin. Geen beginnen meer aan, we keren terug naar het eiland.

Elena leent haar brommer uit voor een mini-expeditie - Kalamos blijkt een praktisch onbegaanbaar bergje van pakweg vijf bij zeven kilometer. Drie dorpen kleven tegen de hellingen: Episcopi, Portoleon, Kalamos-dorp. In het afgelegen spookdorp Portoleon wil sinds een aardbeving in 1956 geen eilandbewoner meer wonen. In juni wordt er een mis opgedragen om een schokvrij eiland af te smeken, de rest van het jaar zijn de ruïnes verlaten. Ook Kalamos-dorp is al jaren geleden in slaap gevallen.

Pagina 39: Een stuk of dertig houten visserssloepjes sukkelen in de haven, niemand vaart uit. Toen de lagere school werd gesloten vertrokken de laatste jonge gezinnen naar het vaste land. Rond de huizen groeit citroen, sinaasappel, abrikoos en druif. Lavendel opsnuiven, op een vijg kauwen, loom van de middaghitte door de smalle stegen wandelen. Dan ritselt een vliegengordijn en springt een kwieke hoogbejaarde het straatje in. Hello, hello! I lived in America for 40 years! Washed dishes! No school! Returned home! Bye! Antwoorden hoeft niet, John Wayne op o-beentjes huppelt alweer naar binnen.

Het eiland heeft één verharde weg, tussen Episcopi en Kalamos. Verder is alles steil en dichtbegroeid met struiken. Ook al kunnen ze elkaar nu in twintig minuten over het asfalt bereiken: in Kalamos vertrouwen ze die van Episcopi nog steeds voor geen cent - en omgekeerd.

Pas toen ze de vissers gingen helpen was het ijs gebroken, zegt Elena 's avonds. Die vonden het beschermen van dolfijnen van geen enkel nut, in tegendeel. De vissers hier zijn al arm, ze vissen met korte netten en die worden door de dolfijnen om de haverklap leeggegeten.

Elena helpt ze nu brieven aan de Griekse overheid te schrijven, waarin de vissers vragen om het tekort aan vangst te vergoeden. In dit deel van de Ionische Zee is steeds minder vis te vinden, ook de groepen dolfijnen zijn het laatste jaar aanzienlijk kleiner geworden, zegt Elena. Ze splitsen zich nu op in kleine groepjes om zo de zee af te 'grazen' op zoek naar de schaarse vis.

Marie-Angela en Chiara liggen op hun rug in het rond te wijzen. Grote Beer, Kleine Beer, de hemel is hier mooier dan hun sterrenkaart. We eten aan de lange tafel onder de olijfboom. Gefrituurde schapenkaas, bier, verse inktvis. Hele middagen snorkelt een jongetje in de zee beneden rond. Als er inktvis in zijn schepnetje zit holt hij naar zijn vader. Die bijt de inktvis dood - hap, in zijn kop. Het zoontje juicht, joepie, nu fijn met de inktvis op een kei meppen. Péts, péts, tot al het schuim eruit is. Dan is 'ie schoon en lekker mals en voor ons.

Elena's assistenten Ada (26) en Sebastiano (25) vertellen over hun aandeel in het onderzoek. Sebastiano zoekt naar de beste methode om de dolfijnendata in statistieken te verwerken. Omdat dolfijnen nog maar een jaar of vijftien in het wild worden bestudeerd, moeten ze nog veel experimenteren. Ada wil promoveren in de dolfijnen-genetica. Misschien, zegt ze, zijn hier meer Gewone Dolfijnen dan Tuimelaars omdat ze beter tegen giftige stoffen in het zeewater kunnen. “Om te ontdekken hoe giftig de zee nu is, moet je biopsies verrichten op dolfijnen. Omdat die bovenaan de voedselketen staan.” Met een geweer probeert ze een metalen kokertje aan een draad in de dolfijn te schieten: huid en vet voor toxicologisch onderzoek. Dat is in twee jaar nog maar één keer gelukt, maar het heeft Tethys al veel subsidie van natuurbeschermingsorganisaties gekost. “Donateurs vinden biopsies zielig”, zegt Sebastiano, “en het helpt niet als je uitlegt dat daarmee in korte tijd veel meer informatie kunt vergaren.”

De helft van het onderzoeksbudget van Tethys komt van sponsors; de rest wordt bekostigd door de eco-vrijwilligers. Dit jaar is Agip Petrol, dat zich een milieuvriendelijker imago wenste, als hoofdsponsor van Tethys gestrikt. Door de Italiaanse Juli, zij houdt hier nu samen met haar luidruchtige minnaar vakantie, in tal van glamourbadpakken. Glimlachend meldt ze dat zonder haar inbreng “nauwelijks een dolfijn de Griekse kustwateren zou overleven”. Juli is gespecialiseerd in het vinden van sponsorgelden voor dolfijnenprojecten over de hele wereld. Nu heeft ze tot afgrijzen van Elena een groot spandoek met het logo van het benzinemerk op de motorboot gehangen. En wij eco-vrijwilligers moesten van Juli zwerfvuil van het strand ruimen. In Agip Petrol-shirts, voor de promotiefoto, en lachen graag. Als we weigeren mogen we de t-shirts subiet inleveren.

O, Flipper.

Zo gaat het dagen. 's Ochtends de boot in, uren rondvaren, de archipel is een droom, maar geen dolfijnen zien. Of turen vanaf het observatiepunt, en geen dolfijnen zien. 's Middags troost zoeken in The natural history of whales and dolphins. In de zee zwemmen, helder als mineraalwater, te ver van de kust raken, want misschien kwam je er zó een tegen. Iederéén krijgt iets verbetens. 's Avonds, als Elena een beetje dronken is, worden haar dolfijnenverhalen steeds treuriger. Gorki de orka is sinds zijn hoofdrol in de film Free Willy heel agressief geworden. En Rocky de showdolfijn kon na een carrière in het dolfinarium van Brighton niet worden vrijgelaten, hij blééf applaudiseren, in plaats van voedsel te zoeken. “En in de jaren '60!”, roept Elena nu echt boos, “Toen sprongen dolfijnen zich te pletter tegen de muren van hun aquarium!” Een geflipte Amerikaanse hippie-wetenschapper had ze LSD gegeven. Daarmee zou bewezen zijn dat de dolfijnen minstens over het leven konden filosoferen. Omdat ze 'suïcidaal' bleken. “Zulke gekken hebben in Amerika de toon gezet”, bromt Elena. “Ze dichten dolfijnen allerlei kwaliteiten toe die ze niet hebben.” Nu zijn de aanhangers van het New Age-denken de dolfijn weer aan het hypen, begint ook Ada. Tot een spirituele krachtpatser, een therapeutisch knuffelbeest, met helende gaven, zo wijs ook. “Dat maakt het heel moeilijk om in Amerika serieus onderzoek te doen.”

Maar hier vordert het evenmin. Twee dagen werkt ook de wind tegen en kunnen we niet uitvaren. Na vijf dagen sluipen een paar eco-vrijwilligers onopvallend naar Elena's kalender, die als logboek fungeert. En blijkt haar ongemak te begrijpen. De laatste tijd heeft ze volgens het logboek gemiddeld maar drie dagen per week dolfijnen gezien. Aangezien we ieder bij toerbeurt, om de dag, in de boot mee kunnen, hebben we deze week nog ongeveer één kans.

Het gebeurt altijd als de hoop al bijna is opgegeven. De zee is als een spiegel, we dobberen in stilte.

“KLOTE! TUIMELAARS!”, roept dan Elena. Er snuift iets in het water. Plotseling: een kalme curve van drie glanzende dolfijnenruggen. Aanraakbaar dichtbij. We staren met open monden naar de plek. Waar ze waren. Elena gaat stampvoeten. “Kúnnen jullie ze eindelijk zien, zijn het fucking Tuimelaars! Die komen amper boven water!” Gewone Dolfijnen komen iedere minuut wel even boven. Maar Tuimelaars kunnen ruim vijf minuten zonder zuurstof. Tegen die tijd zijn ze weer honderden meters verderop.

Dus zijn we de rest van de ochtend cowboys ter zee. Met een hand boven de ogen op de uitkijk. Iedere vijf minuten: over there! Dan op volle kracht vooruit, met een grote bocht om de Tuimelaars niet te verstoren. Als we weer vlakbij zijn, is het de bedoeling dat we iedere drie minuten een serie vragen afwerken. Uit een eindeloze reeks van data moet Elena uiteindelijk een gedragspatroon zien af te leiden. Tijd? Positie? Formatie van de groep - dicht op elkaar, in subgroepjes, verspreid? Tijd onder water? Wijze van bovenkomen - langzaam, levendig, variabel? Richting? Sociale interactie? Het loopt soepel, we hebben er dagen op kunnen oefenen. We spreken alles in op een cassetterecorder, om vanavond in de computer in te voeren. Ada pakt haar harpoen.

En later vertel je: Ze waren met zijn vieren. Hun ruggen zagen we vaak. En hoe hun vinnen langzaam door het water sneden. Hun mooie kalmte. Iedere vijf minuten. Steeds een nieuw stukje dolfijn, als een legpuzzel. Ze sprongen niet. Ze waren, had Elena gezegd, net even aan het rusten. Ada was blij, haar biopsie was eindelijk gelukt. Alleen toen zagen we heel even een Flippersnuit. Eén keer. Hij glimlachte niet.