De tovenaar van Slovenië; Wandeling door het Ljubljana van Pleik

De Sloveense architect Jo Pleik kan met recht een postmodernist-avant-la-lettre worden genoemd. In Ljubljana, de hoofdstad van de nieuwe ministaat, struikel je over zijn bruggen, bogen en zuilpartijen.

De architect Jo Pleik is onontkoombaar in Slovenië. Zijn portret staat op de bankbiljetten van 5.000 tolar, een bedrag dat groot lijkt maar klein is in het sinds 1991 onafhankelijke land. Pleik (1872-1957) is een nationale figuur in Slovenië, hij is veruit de beroemdste bouwmeester van de vroegere deelstaat van Joegoslavië. Bij het bureau van Vreemdelingenverkeer in de Sloveense hoofdstad Ljubljana is dan ook een kaart verkrijgbaar met wandelingen langs de vele ontwerpen van Pleik. En in het Architectuurmuseum van Ljubljana, dat zich in een oud kasteel in een desolate buitenwijk bevindt, is aan het werk van de architect een grote, permanente tentoonstelling gewijd.

Maar buiten Slovenië behoeft de naam Pleik nog steeds toelichting. Weliswaar is hij dankzij een tentoonstelling in het Centre Pompidou in Parijs in 1986 ook in het Westen niet meer volledig onbekend, maar de meeste architectuurtoeristen kennen Pleik nog steeds hooguit van zijn toevoegingen aan de burcht van Praag uit de jaren twintig. Een plaats in de architectuurgeschiedenis heeft Pleik nog steeds niet gekregen, en Ljubljana is geen reisdoel voor architectuurliefhebbers.

Het is geen toeval dat Pleik juist in het vorige decennium werd ontdekt: het waren de jaren dat ook in de architectuur de postmodernisten in opkomst waren. Zij zagen in de vergeten Sloveense bouwmeester een vroege geestverwant en wegbereider. Daar zit veel in. Pleik had dezelfde ontwikkeling doorgemaakt als veel postmodernisten zelf. Zoals postmodernisten in hun jonge jaren meestal een gedegen opleiding hadden gekregen in de modernistische architectuur, zo bracht Pleik in het begin van deze eeuw zijn leerjaren in Wenen door bij een van de vooruitstrevendste bouwmeesters van toen, Otto Wagner, de Oostenrijkse Berlage. Zijn eerste bouwwerken, zoals het Zacherl-huis uit 1905 en de geheel betonnen Kerk van de Heilige Geest uit 1913 in Wenen, wezen in hun strengheid dan ook vooruit naar het latere functionalisme.

Maar Pleiks gebouwen waren niet streng uit volle overtuiging: hij maakte er op papier ook weelderige varianten van. Na zijn Weense tijd ging Pleik dan ook niet verder op de weg naar het modernisme. Integendeel, in de loop van zijn leven kwam hij steeds verder af te staan van de Nieuwe Zakelijkheid van het Bauhaus en Le Corbusier. Dit is ook de reden waarom Pleik een marginale figuur werd in de architectuur: decennia lang werden Westerse architecten en critici geobsedeerd door het modernisme dat zich presenteerde als de stijl waarin de architectuurgeschiedenis met een ijzeren noodzaak haar eindpunt moest vinden.

Net als veel postmodernisten was Pleik niet stijlvast. In zijn Praagse jaren overheerste nog zijn op het classicisme gebaseerde stijl, maar na zijn terugkeer naar zijn geboortestad Ljubljana, waar hij in 1921 aan de plaatselijke Technische Hogeschool begon te doceren, maakte hij ook gebruik van de traditionele Sloveense bouwstijlen. Pleik was een eclecticus.

Toch doet de reductie van Pleik tot een soort voorloper van het postmodernisme hem niet helemaal recht. Jo Pleik was zeker een eclecticus, maar wel een van het zeer ernstige soort. Ironische of zelfs vrijblijvende citaten uit de architectuurgeschiedenis waren hem vreemd. Pleik was een devote rooms-katholiek die het liefst kerken ontwierp, compleet met de tientallen bijbehorende religieuze voorwerpen.

Ook was Pleik een vurig nationalist, die geloofde dat de toekomst aan de Slavische volkeren was. Pleik streefde naar niets minder dan een nationale Sloveense bouwstijl. Dat hij hierbij aansloot op verschillende historische stijlen was het gevolg van het eenvoudige gegeven dat Slovenië in de loop der eeuwen allerlei verschillende bouwstijlen had gekend.

Architectuur was voor Pleik een roeping en ontwerpen een moeizame bezigheid die met lijden gepaard moest gaan. Hij leefde als een soort monnik in een huis achter een kerk in Trnovo, een voorstad van Ljubljana die tegenwoordig is vergroeid met de stad. Sinds zijn dood in 1957 is er niets veranderd in het huis dat nu als onderdeel van het Architectuurmuseum van Ljubljana twee dagen per week te bezichtigen is. Vaak hebben architecten van hun eigen woonhuis een compromisloos manifest gemaakt. Ongehinderd door storende wensen van opdrachtgevers kunnen ze hun radicale lusten botvieren, zoals de Russische architect Konstantin Melnikov heeft gedaan in zijn merkwaardige cilinderhuis in Moskou. Maar Pleiks huis heeft weinig van een architectenhuis. Slechts hier en daar heeft hij aan het huis dat zijn broer in 1921 voor hem kocht iets toegevoegd, zoals de serre met de typisch Pleikaanse ionische zuilen. Binnen hangen er wel ongewoon veel oude architectuurfragmenten aan de muren.

Pagina 35: Maar voor de rest verraden de sobere houten meubelen en de vele heiligenbeelden en religieuze voorwerpen eigenlijk alleen dat hier een gelovig mens zonder uitzinnige eisen woonde. Pleik had dan ook geen huis nodig om zijn architectonische lusten bot te vieren: Ljubljana stond hem ter beschikking. Er zijn weinig steden die zo duidelijk de sporen van één architect dragen als Ljubljana.

Toen Pleik in 1921 naar zijn geboortestad terugkeerde, was Ljubljana pas een paar jaar de hoofdstad van een nieuwe staat.Voor de Eerste Wereldoorlog was Ljubljana een slaperige provinciestad in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie .

Na de onafhankelijkheid kreeg Pleik van de Sloveense regeringsleiders de opdracht er een hoofdstad met grandeur van te maken. Pleik kreeg de kans om zich op werkelijk alle niveaus met de stad te bemoeien: hij ontwierp pleinen, trappen, scholen, openbare gebouwen, kantoren, sluizen, bruggen, wallekanten, parken, monumenten, een stadion, markten, begraafplaatsen en kerken. Daarnaast restaureerde en renoveerde hij veel historische bouwwerken.

Het is dan ook onmogelijk om Pleik niet te ontmoeten in Ljubljana. Overal in het gemakkelijk bewandelbare centrum staan de typische Pleik-zuilen en -lampen met hun quasi-ionische kapitelen. Soms staan ze eenzaam boven of onder aan een trap, dan weer op een open plek in een park. In het hart van de stad zijn ze het talrijkst. Hier liggen de 'drie bruggen' die een orgie van zuiltjes, trappen en balustrades vormen. Vlak bij de 'drie bruggen' ligt, langs het water van de Ljubljanica, het marktgebouw van honderden meters lang. Het is een echte Pleik, een vereniging van smetteloze colonnades met bonkige natuurkeien.

Niet alle ingrepen van Pleik in Ljubljana hebben de tijd zo goed doorstaan als de brug en het marktgebouw. De door vreemdelingenverkeer uitgezette wandelingen voeren ook langs gebouwen en pleinen die nauwelijks meer de hand van Pleik verraden. Zo moet het Plein der Bevrijding getuige oude foto's eens een imposant plein zijn geweest waar een kale granieten vlakte botste op in dichte rijen geplante bomen. Bomen staan er nu nog steeds, maar de vlakte is veranderd in een volle parkeerplaats. En de jezuïetenschool elders in de stad is in latere jaren zo grondig verkracht, dat er alleen door grote deskundigen nog een Pleik in te herkennen is.

Soms waren Pleiks ontwerpen ook opzettelijk heel onnadrukkelijk. Hier en daar deed hij niet meer dan het plaatsen van een kleine witte piramide als herkenningspunt. Zijn toevoegingen aan Ljubljana's oude burcht, die net als in Praag bovenop een heuvel ligt, zijn zelfs zo onopvallend dat ze degenen die niet weten dat Pleik hier aan het werk is geweest, niet eens opvallen. Pleik hoefde blijkbaar niet overal zijn stempel op te drukken en kon heel bescheiden zijn, een zeldzame eigenschap onder architecten.

Op onverwachte plekken is Pleik daarentegen juist weer heel nadrukkelijk aanwezig. Zo heeft hij van de sluizen aan de rand van het oude Ljubljana een imposante watertempel gemaakt. Meestal wordt de vormgeving van sluizen overheerst door de technische constructie, maar bij Pleiks sluizen is het precies omgekeerd: dikke zuilen en grote ornamenten in de vorm van gezichten laten nauwelijks iets zien van de constructie. Ook de Sint Michael-kerk, even buiten Ljubljana in Barje, is nauwelijks herkenbaar als godshuis: de lange trap, de platte toren met de vele gaten en de weelderige klimop die het gebouw bedekt, doen even vermoeden dat hier per vergissing een wonderlijk bouwsel van de Spaanse architect Gaudí terecht is gekomen.

Ook in zijn meesterwerk, de nationale universitaire bibliotheek in Ljubljana, liet Pleik elke terughoudendheid varen. Dit gebouw laat precies zien wat het werk van Pleik zo bijzonder maakt: niet het gebruik van revolutionaire nieuwigheden, maar onverwachte combinaties van oude, beproefde middelen.

Zo is er op zichzelf niets ongewoons aan het gebruik van brokken natuursteen in bakstenen muren, maar Pleik heeft in de gevels van de bibliotheek zo veel grote glad bewerkte en onbehouwen natuurstenen verwerkt, dat het resultaat eigenaardig is. Hetzelfde geldt voor de begraafplaats van le, waar Pleik een soort rouwstadje met een stuk of twintig kapellen bouwde. Hier beperkte Pleik zich weliswaar strikt tot het classicistische repertoire, maar ook hier combineerde hij bekende klassieke stijlmiddelen tot nog nooit geziene bouwwerkjes zonder tot gemakzuchtige bizarheden te vervallen.

“Wij Slaven hebben een kracht die eigen en origineel is. Toch moeten wij die nog vaak gaan zoeken in Rome”, schreef Plenik in een van zijn weinige geschriften over architectuur. De begraafplaats in le laat zien hoe origineel de Sloveen Pleik was: het is alsof hij voor eens en altijd wilde afrekenen met de bewering van veel moderne tijdgenoten dat de mogelijkheden van het classicisme en andere historische stijlen al lang waren waren uitgeput.

Ljubljana is trots op Pleik. De stad koestert zijn gebouwen en doet er veel aan om ze onder de aandacht van de bezoekers te brengen. Maar zodra men Ljubljana achter zich laat, wordt het zoeken naar Pleik moeilijker. Overal in Slovenië, van de bergen in het noorden tot de zacht glooiende heuvels bij de Hongaarse grens, moet Pleik zijn sporen hebben achtergelaten. Maar ze zijn slechts te vinden door de boeken, reisgidsen en kaarten moeizaam met elkaar te combineren. En als men dan eindelijk de kerk in bijvoorbeeld Ribnica heeft gevonden, kan men niet geloven dat de lompe bouwdoosstenen die de oude torens bekronen, zijn ontworpen door dezelfde architect als de nationale bibliotheek in Ljubljana.

Als verzachtende omstandigheid voor dit gedrocht geldt dat de renovatie van de kerk na Pleiks dood werd uitgevoerd. Maar wie vervolgens verder rijdt naar Kranj en daar de nauwelijks minder armoedige colonnade ziet, die tegen het oude theater is geplakt, moet vaststellen dat Pleik na de Tweede Wereldoorlog niet meer de Sloveense tovenaar was die oude architectuurtradities nieuw leven in blies. Saai en mechanisch ogen veel van Pleiks naoorlogse werken, alsof ook hij besmet was geraakt door de armoedige communistische esthetiek van Tito's Joegoslavië.

Buiten Ljubljana is er eigenlijk maar één bouwwerk dat de drie uur lange autorit vanuit Ljubljana waard is: de Hemelvaartkerk in Bogojina. Daar ligt te midden van glooiende maisvelden een merkwaardig groot rood-wit schip. Hier heeft Pleik de traditionele Sloveense plattelandsarchitectuur onder handen genomen: de toren is een curieuze cilinder met een soort observatoriumpje erop, het enorme zadeldak geeft de kerk iets van een boerenschuur en binnen overheersen ongewoon grote witte bogen die op zwarte, gedrongen zuilen rusten. De Hemelvaartkerk dateert dan ook uit 1927, lang voordat Pleik zijn toverstaf zou verliezen.