De Munttorens van Israels

Het is niet voor iedereen een onverdeeld genoegen om de opperboekhouder Kordes aan de lijn te krijgen. Toen Kordes nog president was van de Algemene Rekenkamer, was een telefoontje van hem meestal de voorbode van een kritisch rapport over niet kloppende jaarrekeningen of onrechtmatige overheidsuitgaven.

Als hij nu aan de telefoon komt, of een onderzoeker van de commissie-Kordes, dan betekent dat in de meeste gevallen dat hij een onaangename boodschap heeft over een omineus Liro-dossier uit de oorlogsjaren. “Ik heb iets van uw firma gevonden waar ik graag eens met u over zou willen spreken”. Om zoveel mogelijk op zulke verrassingen voorbereid te zijn, hebben de financiële instellingen die Kordes aan de telefoon kunnen verwachten de afgelopen weken heel wat afgebeld met oudgedienden die nog iets uit eigen ervaring kunnen vertellen over bepaalde transacties van vijftig jaar geleden, Liro-transacties wel te verstaan.

Zo heeft ook de directie van De Nederlandsche Bank, na het pijnlijke nieuws over de aankoop van oude munten uit de Liro-boedel door bankmedewerkers, aan diverse oud-medewerkers gevraagd: “Weet u nog iets dat wij moeten weten”?

Ja, we weten nog iets.

Niet bekend

De Munttoren van Isaäc Israels was geen sensationeel schilderij, maar het dreigde zijns ondanks het middelpunt van een sensatie te worden. Een Israelische toeriste, genaamd Cohen, die naar Amsterdam was gekomen om de tentoonstelling te zien, herkende het schilderij als 'de' Munttoren die aan haar vader had toebehoord. De dochter had zich al met het bekende treurige verhaal bij het Bureau van Rechtsherstel vervoegd om haar aanspraken op het geroofde bezit van haar ouders te deponeren. Vader vermoord. Schilderijenbezit bij Lippmann en Rosenthal (Liro) ingeleverd. Haar veronderstelling dat Liro het had geveild kon, bij gebrek aan documentatie, noch onmiddellijk worden geverifieerd noch worden betwist.

Maar De Nederlandsche Bank voelde niets voor betwisting. Namens de directie deed graaf Van den Bosch ogenblikkelijk afstand. Het was duidelijk dat hij zelfs de kleinste publieke opschudding tegen elke prijs wilde voorkomen. Mevrouw Cohen kon het schilderij wat hem betreft zo onder haar arm mee naar huis nemen. Mevrouw Cohen liet zich dat geen twee keer zeggen.

Een van zijn employés bracht Van den Bosch onder ogen dat hij misschien wel wat al te snel had gecapituleerd, aangezien mevrouw Cohen het schilderij van haar vader niet eens met documenten had geïdentificeerd. Israels had bovendien vele, zo niet tientallen Munttorens geschilderd. In hotel De Munt, waar hij altijd een kleine kamer op de bovenste verdieping betrok wanneer hij in Amsterdam was, had hij meer dan eens zijn rekeningen betaald met de schilderijen die hij op die zolderkamer produceerde. Maar Van den Bosch was niet bereid erop terug te komen. Misschien had hij te snel ingebonden, maar de zaak was 'afgehandeld' en zo bleef het.

Bij de commissie-Kordes is nog een ander dossier aangemeld: de zoekgeraakte Schat van Almelo. Kordes zal gezegd hebben: voor een zoekgeraakte schat koop ik niks, maar het verhaal is goed genoeg voor een voetnoot in het rapport van zijn commissie. In 1990 informeerde een oud-officier van het Canadese leger per brief bij De Nederlandsche Bank wat er was gebeurd met de kisten met munten en zilveren voorwerpen die hij in 1945 bij de Bijbank van De Nederlandsche Bank in Almelo had gedeponeerd. Of ze ooit bij hun rechtmatige eigenaars waren terugbezorgd? De Canadees, een kunsthistoricus die destijds commandant van de Canadese recuperatietroepen in Nederland was, had de uit Nederland afkomstige kisten met kennelijke roofgoederen in een hoofdkantoor van het Duitse leger gevonden en bij De Nederlandsche Bank achtergelaten, maar ze niet kunnen identificeren. Zijn vraag was vijfenveertig jaar na dato gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Bij de bank wist niemand er iets van. De inventarislijsten, die onder meer gebedsrollen uit de tabernakelkast vermeldden, waren er wel, maar de kisten met inhoud niet. Van die kisten, inmiddels bevorderd tot Schat van Almelo, was in Amsterdam geen spoor te vinden. Het was niet meer te achterhalen of ze ooit uit Almelo waren verstuurd, noch of ze ooit in Amsterdam waren aangekomen. Zo blijft er voor de journalistiek gelukkig werk aan de winkel.