Belangrijk is het niet

Wij lezen vandaag uit psalm 90 vers 10: “De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; wat daarin onze trots was, is moeite en leed, want het gaat snel voorbij, en wij vliegen henen.”

Het gaat snel voorbij. Wie interesseert zich nog voor de precieze toedracht van zaken in een korte fase van het leven van een tachtigjarige? Niemand, maar toch voelt deze tachtigjarige zich verplicht - in de eerste plaats tegenover de nagedachtenis van anderen die in die fase ook een rol gespeeld hebben - zijn versie van de onderhavige zaak te geven.

Waar gaat het over? Over één alinea in een artikel in de krant van 22 december. Over dat artikel zelf mag ik niet ontevreden zijn. Die alinea zou echter, door haar compactheid, aanleiding kunnen geven tot misverstanden, die een eigen leven zouden kunnen gaan leiden. Daarom wil ik graag hier - waar anders? - mijn versie geven. Maar eerst die alinea:

“Dat Heldring in 1958 adjunct-hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamse Courant werd, was niet uit ambitie. De toenmalige directie van de krant vond de nieuwe hoofdredacteur, Stempels, hoewel actief VVD-lid, eenvoudig te progressief om de krant alleen te leiden. Heldring vond het 'rotjaren'. Stempels hield de hem opgedrongen tweede man overal buiten. Het was bij gebrek aan ander werk dat Heldring op 4 januari 1960 de rubriek Dezer Dagen kon beginnen.'

Het gaat over de jaren 1958 en 1959. Van 1949 tot 1953 was ik door de NRC uitgeleend geweest aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, in welks dienst ik werkzaam was bij het Nederlands Informatiebureau te New York. In die jaren had ik altijd contact gehouden met de toenmalige hoofdredacteur, mr. M. Rooij, o.a. over mijn terugkeer naar de krant.

Tegen het eind van mijn Amerikaanse periode ontvouwde hij mij zijn toekomstplannen. Na voltooiing van het proefschrift waaraan hij bezig was, stond hem een professoraat in Amsterdam te wachten. Mr. A. Stempels, toen adjunct-hoofdredacteur, zou hem opvolgen, en het was Rooijs bedoeling mij voor te dragen als adjunct-hoofdredacteur. Dat was een vooruitzicht dat mij mijn terugkeer naar Nederland - en de krant - gemakkelijk maakte.

Dat Stempels hoofdredacteur zou worden, vond ik volstrekt in de rede liggen. Hij was sinds 1945 de, in mijn ogen briljante, parlementaire overzichtschrijver van de NRC geweest; kende dus de binnenlandse politiek op zijn duimpje. Dat ik als een soort conservatief tegenwicht moest dienen - daarvan is, althans tegenover mij, nooit sprake geweest. Trouwens, ik was in die dagen helemaal niet zo conservatief. In mijn ogen was Stempels zelfs conservatiever dan ik, bijvoorbeeld in de Indonesische kwestie, maar hij had nu eenmaal de naam van de 'roje' Stempels, misschien omdat hij een voorstander avant la lettre van paars was. Hij had goede vrienden bij de PvdA, en dat op zichzelf was al voor veel mensen in zijn partij, de VVD, reden hem 'rood' te vinden.

Ook heb ik nooit de indruk gehad dat Stempels vond dat ik hem opgedrongen was en dat hij mij dáárom overal buiten hield. Integendeel, niet lang vóór de wisseling in de hoofdredactie, dus vóór 1 januari 1958, heeft hij mij gezegd dat mijn benoeming tot zijn adjunct zijn volledige instemming had gehad. Ik had geen reden te twijfelen aan de oprechtheid van zijn woorden, en heb dat nog niet.

Waarom heb ik dan de eerste jaren van mijn adjunct-hoofdredacteurschap, 1958 en 1959, 'rotjaren' genoemd? Omdat Stempels mij inderdaad overal buiten hield, maar niet - althans zo zie ik het nog steeds - omdat hij mij wantrouwde, maar eenvoudig omdat hij een solist was en niet in staat te delegeren. Ik had dus niets te doen (mijn vorige taak bij de krant had ik, in het vooruitzicht van een adjunct-hoofdredacteurschap, opgegeven). Na twee jaar ben ik toen maar uit arren moede met de rubriek begonnen die ik nu nog schrijf - overigens met volle instemming van Stempels.

Maar er speelde nog iets anders, iets waarvan ik slechts zijdelings weet heb. In het najaar van 1957, dus de maanden vóór de hoofdredactionele overdracht, schijnt bij de directie (en ook misschien bij commissarissen) de behoefte te zijn ontstaan naast de nieuwe hoofdredacteur iemand te benoemen die economisch deskundiger was dan Stempels. Nu, die taak zou ik nooit hebben kunnen vervullen, want ik was ook economisch ondeskundig.

In elk geval schijnt Stempels zich verzet te hebben tegen zo'n figuur, die van buiten de redactie zou hebben moeten komen, en had hij daarin de steun van de hele redactie. Het plan van de directie is dan ook niet doorgegaan. Stempels kreeg de uitsluitende hoofdredactionele verantwoordelijkheid en ik werd zijn adjunct.

Waarom kan ik van dit laatste slechts zijdelings getuigen? Het toeval wilde dat ik dat najaar van 1957 opnieuw in Amerika was, nu voor een maand of twee, en dat ik niets wist van wat zich in mijn afwezigheid in Rotterdam afspeelde. Pas na mijn terugkeer hoorde ik daarover op de redactie verhalen, die ik moeilijk nog kan verifiëren, maar die ik niet onwaarschijnlijk acht.

Het is niet onmogelijk dat in die bewuste alinea in het artikel van 22 december die twee gevallen door elkaar geraakt, als 't ware getelescopeerd, zijn. Belangrijk is het niet, maar vooral jegens de nagedachtenis van Stempels, die mijn rubriek nooit een strobreed in de weg heeft gelegd - hoewel ik daar soms standpunten innam die zeker niet met de zijne strookten - acht ik mij verplicht mijn versie van de zaak te geven. Alleen een toekomstige historicus van de lotgevallen van wijlen de Nieuwe Rotterdamse Courant (1844-1970) zal er misschien zijn voordeel mee kunnen doen.