Bankwezen

De terugkeer in de publiciteit van Willem Scherpenhuijsen Rom, oud-bestuursvoorzitter van ING Bank, gaat in NRC Handelsblad van 27 december gepaard met enig tromgeroffel, met name richting de Volkskrant en mijzelf, als toenmalig hoofdredacteur. Scherpenhuijsen Rom wekt de indruk het slachtoffer te zijn geworden van een soort campagne van de krant, waarbij de berichtgeving unfair en incorrect zou zijn geweest.

De feiten zijn echter anders dan hij in het vraaggesprek weergeeft. In de zomer van 1985 publiceerden we een serie artikelen over de problemen van kleine en middelgrote ondernemers met hun bank. Het ging niet alléén over de toenmalige NMB (Nederlandse Middenstandsbank), maar wel vaak. Onze indruk was dat de NMB nogal ruimhartig krediet verleende, om dat later bij een tegenvallende gang van zaken weer zeer kordaat terug te nemen, alsof de bank niet ook een verantwoordelijkheid droeg. Het ging niet om routinematige opzegging van kredieten zoals Scherpenhuijsen Rom suggereert, maar om nogal pijnlijke ingrepen.

De gepubliceerde feiten zijn nimmer door de NMB weerlegd. Scherpenhuijsen Rom zegt dat de bank daartoe de kans niet kreeg, maar die is er volop geweest. We hebben de zaak zelfs met een delegatie van de bank besproken. Het betrof echter degelijke journalistiek. En een maatschappelijk relevant inkijkje in de uitwerking van dit stukje bankwezen. Een krant kan het van belang vinden daar eens op te wijzen. Dat was niet aangenaam voor de NMB en irriteerde de bankdirecteur. Maar irritante of vervelende publicaties zijn om die reden nog niet onjuist of onrechtmatig.

Maanden later, tijdens een door hem belegd gesprek met onze chef economie Peter van Bakkum en mijzelf, haalde Scherpenhuijsen Rom nog eens uit over onze zogeheten campagne tegen de NMB. Op onze vraag wat er dan feitelijk niet klopte, kregen we wederom geen reactie. De NMB had voor nader onderzoek alle tijd gehad en blijkbaar niets ter weerlegging gevonden.Scherpenhuijsen Rom, die ook blijkens het NRC-interview niet ongenegen was het middeleeuwse instrument van de advertentie-boycot tegen de krant in te zetten, waarschuwde ons nog indringender. We moesten beseffen dat hij voorzitter was van de Nederlandse Bankiersvereniging, en in die hoedanigheid zou kunnen oproepen tot actie tegen de Volkskrant. Ik stond paf van zoveel intimidatie. Het leek me een merkwaardig (en verwerpelijk) gebruik van zijn functie bij de bankiersvereniging. Voor ons een extra reden de rug recht te houden.

Als we in 1992 stuiten op een niet geheel correcte handelwijze van Scherpenhuijsen Rom in 1977, zoeken we dat opnieuw uit. We leggen het voor, en NMB kon de feiten niet ontkennen. Natuurlijk was de zaak oud, maar als bij een bank waar vier directeuren in korte tijd moesten opstappen wegens betwistbare handelsactiviteiten, ook de voorzitter niet smetteloos blijkt te zijn, is dat nieuws. Het onderzoek ervan is correcte journalistiek, die past bij een respectabele krant. Dat dit incident het einde betekende van zijn loopbaan, is geen zaak van de krant of haar hoofdredacteur. Het is de afweging van Scherpenhuijsen Rom en zijn Raad van Commissarissen.