Vurige dans in flamencoversie van Carmen

Voorstelling: Carmen door La Cuadra de Sevilla. Choreografie, toneelbeeld, regie en muzikale dramaturgie: Salvador Távora. Muziek uitgevoerd door Banda de Cornetas y Tambores Santísimo Christo de las Tres Caídas. Gezien: 3/1, Het Muziektheater, Amsterdam. Aldaar: 5/1.

Zeg Carmen, en je hoort de overbekende melodieën uit George Bizet's gelijknamige opera en je ziet de sensuele en avontuurlijke zigeunerin en sigarettenmaakster uit Sevilla voor je, die de sergeant Don José verleidt, zijn carrière verwoest, hem verlaat voor een triomferende stierenvechter en daarop door hem met een mes wordt vermoord. De Spaanse theatermaker Salvador Távora verzet zich tegen dat door Bizet en schrijver Prosper Mérimée opgeroepen beeld van Carmen. In de Andalusische overleveringen is Carmen volgens hem heel anders. Een strijdbare vrouw, die niet onderworpen wil zijn aan de autoriteit van de man, die in vrijheid haar keuzes wil maken, die vecht voor een betere positie en werkomstandigheden voor vrouwen, die progressieve politieke posities innam en verliefd werd op de militair die haar bij een razzia op zigeuners in bescherming nam en verborg. Een interessant uitgangspunt voor een eigen Carmen-productie. Ruim een jaar geleden werd die gerealiseerd met Tavora's in 1971 opgerichte gezelschap La Cuadra de Sevilla.

Naast drie fragmenten uit Bizet's door hem zo onwaar geachte opera, koos Távora voor nieuw gecomponeerde muziek, gebaseerd op Andalusische volksliederen en uitgevoerd door een orkest van bugels (kleine kopere blaasinstrumenten) en trommels. Het ligt niet makkelijk in het gehoor. De scherpe klank van de bugels, ondersteund door doffe trommels, schuurt langs de trommelvliezen en suggereert een hard leven, uitgestrekte droge vlaktes en hoge dikke muren. De twee gitaren en de zang, met duidelijk arabische invloeden, hebben een poëtisch en tegelijkertijd schrijnend karakter. De rollen van Carmen en haar geliefde Don José worden vertolkt door dansers, evenals het nogal overbodig ingevoegde personage van de opstandige en tot ophanging veroordeelde generaal Rafael de Riego die in het begin van de 19de eeuw een belangrijke rol speelde in de Andalusische geschiedenis.

Salvador Távora is een bevlogen voorvechter tot behoud en (her)waardering van de Andalusische cultuur en tradities, maar helaas is hij geen groot choreograaf en regisseur. Smart, liefde, pijn en woede, het wordt allemaal uitgebeeld met hetzelfde driftige, razend snelle voetgeroffel, gecombineerd met flitsende twee- of drievoudige draaien. Aan het eind van iedere frase volgt voorspelbaar een staccato uitgevoerde grote armbeweging. Geheel naar wat er bij Spaanse dans en zanguitingen verwacht wordt is er een constant vertoon van vurig temperament, zich uitend in meer dan levensgrote dramatische gebaren en veel, heel veel heroïsche poses. Van rol- of relatie-opbouw is geen sprake en van de veronderstelde sociale bewogenheid en vrijheidsdrang is bij Carmen nauwelijks iets te bespeuren, noch van de vurige liefde die de minnaars noodlottig wordt. Theatraal gezien is het een mooi plaatjesboek en dat witte, door de toreador bereden paard dat op Bizet's befaamde 'toreadorenlied' keurig de benen heft en rondjes loopt, terwijl Carmen hem bij de manen vasthoudt, staat natuurlijk garant voor applaus.

Ongewild en zeker onbedoeld wordt deze Carmen, door gebrek aan dramaturgische ontwikkeling, choreografische inventie en een wezenlijk artistieke visie, overspoeld door cliché's en door een emotionaliteit waarvan de oorsprong nooit duidelijk wordt en mij dus volkomen onberoerd laat. Een zeer goed bezette zaal dacht er anders over.