Vrije gedachten weer in de ether

In de nok van het gebouw van Humanitas in Rotterdam - met een fraai uitzicht over het havengebied - zijn het landelijke archief en de bibliotheek van de vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte te vinden. En daar - onder het wakend oog van Multatuli, de sarcastische bestrijder van het christendom (“Misschien is er niets geheel waar, en zelfs dat niet”) en van de vermaarde vrijdenker en vroegere Algemeen Handelsblad-redacteur Anton Constandse - vertellen bestuursleden Roel Bor en André van Well over de wederkomst van de vrijdenkersbeweging in de ether.

Drie jaar geleden vond het Commissariaat voor de media het vrijdenkers-programma van de Humanistische Omroep niet meer op zijn plaats. De vrijdenkers verdwenen. Maar niet voor lang. Na een moeizame beroepsprocedure waren ze op 18 december vorig jaar weer terug op de televisie. De omroep presenteerde toen een programma over normen en waarden in de samenleving, een discussie tussen vertegenwoordigers van de wetenschappelijke bureaus van het CDA en de VVD.

We gaan er vanuit dat vijftien procent van de Nederlanders atheïsten, misschien wel vrijdenkers zijn, zeggen voorzitter Bor en bestuurslid Van Well. Desondanks heeft de vrijdenkersvereniging niet meer dan duizend leden en slechts tweeduizend verzendadressen voor haar blad De Vrije Gedachte. Het is een beweging van slechts een handjevol mensen. Vóór de Tweede Wereldoorlog was het maatschappelijk riskant om voor atheïstische opvattingen uit te komen. “Onze aanhang was daarom betrekkelijk klein. Dat is nog altijd zo”, zegt Van Well. “Onze vereniging heeft nu eenmaal geen wervend karakter. Misschien komt het wel doordat mensen van nu die werkelijk onafhankelijk denken er alleen daarom al geen enkele behoefte aan hebben om zich bij een vereniging als de onze aan te sluiten.”

Al bijna anderhalve eeuw bestaat de atheïstisch-humanistisch georiënteerde vrijdenkersbeweging. Toen de eerste, zelfbewuste vrijdenkers in 1856 hun vereniging De Dageraad oprichtten, was er in de Westerse mensheid iets doorgebroken van een glanzende toekomstverwachting. De naam van de vereniging verried dat ook. De dageraad was in zicht van een geheel andere mensheid dan tot op dat moment, een mensheid zonder God en zonder kerk. Vooral sinds het in 1859 gepubliceerde boek On the origin of species by means of natural selection van de Engelse natuuronderzoeker Charles Darwin kreeg het vrijdenken, zonder God en zonder schepper, een wetenschappelijke onderbouwing.

Maar de vrijdenkers zelf zijn het lang niet eens over wat vrijdenken is. Vrijdenken is weliswaar geen geloof, religie, of levensovertuiging en ook geen ideologie, maar over wat het wel is, heerst grote verwarring. Misschien is het een levenshouding met een bepaalde vorm van ethiek. Zeker is in ieder geval dat vrijdenken geen begrip is dat vastligt, heette het zo'n tien jaar geleden onder de opstellers van een concept-beginselverklaring. Omdat de inzichten van mensen voortdurend veranderen en zich ontwikkelen en omdat ieder vrijdenkend mens een eigen individuele visie heeft op zichzelf en op de werkelijkheid, was het ondoenlijk om een algemene theoretische grondslag aan de vrijdenkerij te geven.

Wel staat vast dat vrijdenkers elk dogma, absolutisme en absolute waarheid in twijfel trekken en verwerpen. Tegelijkertijd proberen ze niet alleen om de mensen uit de wereld van de godsideeën los te maken, maar ook om mensen te bevrijden van alle andere vormen van machtsuitoefening.

Weliswaar is vrijdenken atheïstisch, maar het mag niet met atheïsme worden gelijkgesteld. Want atheïsme is letterlijk: godloochening. En van zo'n negatief begrip wil de ware vrijdenker niet uitgaan. Vrijdenken richt zich volgens het boekje Vrijdenken als levenshouding (1985) niet alleen tegen elk godsgeloof, maar ook tegen ieder bijgeloof (bijvoorbeeld in Sinterklaas) en stelt daar een 'positieve richtlijn' voor denken en handelen tegenover.

Ook de bestuursleden Bor en Van Well van de vrijdenkersvereniging is het niet helemaal duidelijk waar vrijdenkers voor staan. Van de vraag naar een definitie schrikken ze. Anno 1998 betekenen vrijdenken en atheïsme voor Van Well dat je “autonoom in het leven staat en zelf verantwoordelijk bent voor je handelen, zonder terug te kunnen vallen op van boven gegeven wetten”. Bor waarschuwt er nadrukkelijk tegen om vrijdenken en atheïsme op één hoop te gooien. Hij merkt op dat de door hem beleden denkwijze zo veel betekent als “dat je dagelijks je eigen weg bepaalt in een onzekere toekomst en probeert om daaraan een zinvolle inhoud te geven”.