Voor mij moet je de t-t-t-tijd nemen

Journalisten die na een wedstrijd effe snel een interviewtje van twee minuten willen doen met een speler, moeten niet bij mij zijn. Voor mij moeten ze de t-t-t-tijd nemen.

Ik begon te stotteren toen ik vijf was. Daarvoor praatte ik 'gewoon'. Hoe het is gekomen dat ik ben gaan stotteren, weet ik niet.

Of ik veel of weinig stotter, heeft alles te maken met hoe ik me voel. Als ik me onzeker voel, stotter ik meer dan wanneer ik ontspannen ben. Als ik bang ben dat ik ga stotteren, ga ik meestal ook stotteren. Dat gebeurt vooral in een omgeving waar mensen me niet kennen. Bijvoorbeeld wanneer ik een half wit haal bij de bakker. Mensen in de winkel weten zich doorgaans ook geen houding te geven als ik stotterend een broodje bestel. Dan zie je ze denken: 'Hoe moet ik reageren?' Meestal gaan ze dan lachen. Dat is hun manier van onzekerheid tonen.

Bij het voetballen heb ik weinig last van het stotteren. Deels omdat ik me zoals nu bij Harelbeke thuisvoel in de selectie, deels omdat je tijdens een wedstrijd weinig praat. Je schreeuwt natuurlijk weleens wat, maar als ik schreeuw stotter ik minder dan wanneer ik praat. Voor zingen geldt hetzelfde, net als wanneer ik een borrel op heb. Dan stotter ik ook minder.

Wel is mijn oud-trainer bij Vitesse, Hans Dorjee, ooit 'de dupe' van mijn gestotter geworden. Ik zat bij hem in de auto, achterin. Hij wilde op een gegeven moment parkeren. Zegt-ie tegen mij te kijken hoe ver hij nog achteruit kon. Ik wil 'stop' zeggen, maar het kwam er niet uit. Reed-ie tegen een paal aan. 'Godverdomme Laamers', zei Dorjee. Achteraf hebben we daar erg om gela-la-la-lachen.