Spiksplinternieuw

Er zijn van die woorden die een beetje raar worden als je er te lang naar kijkt. Iedereen kent dit verschijnsel, maar bij mijn weten bestaat er geen woord voor. Het is ook niet precies duidelijk hoe het werkt. Het effect treedt niet bij ieder woord op. Je kunt tien keer achter elkaar huis of deur zeggen - of desnoods huisdeur - zonder dat je op een gegeven moment denkt, hé, wat een vreemd woord is dat. Maar zeg tien keer faliekant en die kans is een stuk groter.

Waarschijnlijk treedt dit effect vooral op bij samengestelde woorden die we niet vaak gebruiken. Bij terloops gebruik is er niets aan de hand, maar haal zo'n woord uit z'n context en opeens kijkt het je recht in je gezicht aan en vraagt: waarom ben ik zoals ik ben? Wat doe ik hier? Hoezo falie, waarom kant? Ongetwijfeld doet dit verschijnsel zich vaker voor als een deel van de samenstelling niet duidelijk is. Ook de combinatie kan opeens vreemd lijken.

Neem spiksplinternieuw. Zo in z'n uppie is dat toch een merkwaardig woord. Was het ooit splinternieuw en heeft iemand daar spik aan vastgelijmd? En zo ja, wat is spik dan? Heeft dat iets met spik en span te maken? En die splinter, wordt daar zo'n akelig peuterding mee bedoeld dat je met een pincet uit je voet of vinger moet halen? Waar slaat dat op?

Zijn deze vragen eenmaal in u opgekomen dan bent u, zonder naslagwerken in de buurt, reddeloos verloren. Ook het woord spiksplinternieuw ligt even op z'n rug, tijdelijk onbruikbaar voor gewone doeleinden.

Zo'n treintje woorden als spiksplinternieuw begint natuurlijk met een eerste steen, namelijk nieuw. Dat is al een oud woord. Het is omstreeks 1040 voor het eerst aangetroffen, in een Oost-Vlaamse plaatsnaam. Net als bij oud ontstond er bij nieuw al snel behoefte om het te versterken, uit te breiden. Bij oud heeft dat niet zo heel veel opgeleverd. Dat is ook wel logisch, want behalve in de antiekhandel strekt ouderdom zelden tot aanbeveling. Veel verder dan oeroud, overoud en stokoud komen we niet.

Bij nieuw ligt dat heel anders. In de handel is dat natuurlijk het toverwoord bij uitstek. Vandaar dat we in de loop der eeuwen woorden hebben gekregen als brandnieuw, fabrieksnieuw, fonkelnieuw, gloednieuw, hagelnieuw, nagelnieuw, piksplinternieuw, spaandernieuw, speldernieuw, spiegelnieuw, spikspeldernieuw, spiksplinternieuw, spletternieuw, vuurnieuw en winkelnieuw.

In Zuid-Nederlandse dialectwoordenboeken zijn onder andere nog te vinden spikspaandernieuw, spikspankelnieuw, splindernagelnieuw, splenternagelnieuw, vonkelnagelnieuw en speksponnieuw.

De oudste vormen, spelle-nieuw en vuurnieuw, zijn gevonden bij Kiliaan, een corrector uit Duffel die in 1574 een Nederlands-Latijns woordenboek samenstelde, waarin hij als eerste in Europa talen met elkaar vergelijkt. Aan het eind van de 16de eeuw komt speldernieuw vaak voor, en in de 17de eeuw is spikspeldernieuw de meest voorkomende vorm, die onder andere werd gebruikt door Bredero, Hooft en Huygens.

Spiksplinternieuw is in 1789 voor het eerst gevonden, in Brieven van Abraham Blankaart van Betje Wolff en Aagje Deken. Zij schrijven daar: “Hy heeft op al zyn reizen en trekken zo weinig slytagie aan zyne conscientie [geweten] gekreegen, dat die nog, mag ik zeggen, spiksplinter nieuw is.”

Waar komt spiksplinternieuw nu vandaan? Daar is een hoop onzin over beweerd. Er is verband gelegd met het werkwoord spelen en met de schietspoel van een weefgetouw. Het zou dan, via een omweg, “net nieuw van het weefgetouw gekomen” betekenen. Spik is zelfs - zij het geheel vergeefs - in verband gebracht met spikkelkaas.

Maar nadat onder anderen de Rotterdamse taalgeleerde Arie de Jager en de oerdegelijke Amsterdamse hoogleraar F.A. Stoett hun tanden in deze kwestie hadden gezet, is men tot de conclusie gekomen dat speldernieuw en splinternieuw hetzelfde uitdrukken, namelijk: zo nieuw als een pas afgehouwen splinter. Het voorgevoegde spik betekent 'spijker' en is er als versterkend element aan vastgeplakt, wellicht omdat het grappig klinkt. Het hele woord betekent daardoor eigenlijk: “zo nieuw als een spijker die net uit het smidsvuur komt en als een splinter die zojuist is afgehouwen”.

Kortom: nieuw in de overtreffende trap. Spiksplinternieuw is nog nieuwer dan iets dat de gloed of fonkeling van nieuwheid nog draagt; nog nieuwer dan iets dat helemaal met blinkende nagels of spijkers vastzit; nog nieuwer dan iets dat blinkt als een spiegel of dat net uit een winkel of uit de fabriek komt. Dat ooit een verse houtsplinter zo tot de verbeelding sprak, kunnen wij ons nu niet meer voorstellen. Maar in de vroegere wereld, waar alles dof en roestig was, viel de frisheid van vers gespleten hout sterk op - en het was iets dat iedereen kende.

Wie denkt dat dit vreemde woordgroepje alleen in het Nederlands voorkomt, vergist zich. De Engelsen kennen het vergelijkbare spick and span new, naast ondere andere brandnew, spandernew en spanfire new; de Duitsers spreken onder meer van funkelnagelneu, funkelneu, spalterneu, spaltneu, splinterneu en splitterneu; de Denen van splinterny en de Zweden van splitterny. Allemaal woorden waar in principe niets meer loos is, tot je er even te lang naar kijkt; dan kunnen ze er opeens even raar en raadselachtig uitzien als bijvoorbeeld tierlantijn, falderappes en wissewasje.